Boekbespreking. Ter gelegenheid van zijn twintig­jarig bestaan bracht het rechtshistorische tijdschrift Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden een bijzondere aflevering uit. In dit themanummer, dat tevens in boekvorm verscheen, staan invloedrijke rechtsgeleerde werken uit het Nederlandse taalgebied centraal. Het boek is in wezen een canon van rechtshistorische must-knows uit de afgelopen vijf eeuwen. Het bevat werken die – naar het oordeel van de redactieraad – de ruggengraat van de Nederlandstalige rechtswetenschap vormen en die ‘met kop en schouders boven de massa rechtsliteratuur uitsteken’. Let wel: het gaat uitsluitend om juridische publicaties die geschreven zijn in de volkstaal, dus niet in het Latijn of het Frans. Qua genre treft de lezer trouwens voorbeelden van alle slag aan: het varieert van wetscommentaren en (praktijkgerichte) handboeken tot oraties en beginselenboeken.

Canonisering vereist het maken van keuzes. Dat is, gezien het grote aantal invloedrijke juridische publicaties van eigen bodem, geen eenvoudige taak. Gelukkig stond de redactieraad van Pro Memorie er niet alleen voor. Ze schreef enkele honderden rechtshistorisch geïnteresseerden aan en hield een populariteitstest. Aanvankelijk leverde deze digitale bevraging een lijst van 170 ‘klassiekers’ op. Dat waren er meer dan konden worden gepubliceerd. Een themanummer heeft immers een beperkte omvang. De redactieraad wist de selectie uiteindelijk terug te snoeien tot 67 werken, mede door te kiezen voor één boek per auteur.

De bundel opent met een uitgebreide inleiding, waarin de redactieraad de totstandkomingsgeschiedenis van deze bundel bespreekt en zijn selectiecriteria nader toelicht. Dan volgen de afzonderlijke bijdragen, die steeds vier à vijf pagina’s beslaan. Elke bijdrage volgt hetzelfde stramien. Allereerst worden de zakelijke gegevens van het boek opgesomd. Daarna wordt een korte levensbeschrijving van de auteur gegeven. Voor zover het relevant is, wordt ook aandacht geschonken aan bijzondere historische omstandigheden en andere belangrijke werken van dezelfde auteur. Vervolgens wordt dieper ingegaan op het boek zelf. Achtereenvolgens komen de technische beschrijving (omvang, vorm, edities), het belang van het werk en de plaats ervan in de rechtsontwikkeling aan bod. Een summiere bibliografie sluit elke bijdrage af.

Welnu, welke werken zijn vereeuwigd in deze canon? De reeks begint met besprekingen van vier zestiende-eeuwse werken. Door te starten in deze eeuw, blijven eerdere glossatoren en commentatoren – die hoofdzakelijk in het Latijn publiceerden – buiten beeld. Dan volgen zeven klassiekers uit de zeventiende eeuw. De achttiende eeuw is, met slechts vier publicaties, wat minder goed vertegenwoordigd. Vanaf de Napoleontische periode stijgen de aantallen, met dertien boeken uit de negentiende en maar liefst 39 uit de twintigste eeuw. De lijst sluit halverwege de twintigste eeuw af. Voorwaarde was namelijk dat alleen boeken van overleden auteurs werden opgenomen. Dit om personencultus te vermijden.

Voornoemde werken zijn allemaal boeken, oftewel gedrukte zelfstandige werken. Manuscripten vielen, net als tijdschriftenartikelen en losse geschriften, buiten de boot. De boeken hebben betrekking op verschillende takken van het recht en de metajuridica. De meeste werken zijn civielrechtelijk van aard. Dat verwondert niet. Dit rechtsgebied kan, zo constateert de redactieraad, ‘toch wel als de klassieke harde kern’ worden beschouwd. Daarnaast blijken het staatsrecht en het straf(proces)recht populair. Belangwekkend is dat koloniaalrechtelijke werken niet ontbreken. Per slot van rekening was het Nederlandse recht een exportproduct tijdens de kolonisatie. Op deze lijst prijken dan ook werken over het Zuid-Afrikaanse recht, het publiekrecht van Nederlands-Indië en het inheemse adatrecht. ‘Nieuwere’ rechtstakken zoals arbeids- en socialezekerheidsrecht komen er daarentegen wat bekaaid van af. Dat geldt eveneens voor het belastingrecht. Laatstgenoemde gebieden zijn nu eenmaal pas relatief laat als autonome rechts­takken tot wasdom gekomen.

Alles tezamen is dit een bonte bundel, die eer wil betuigen aan de grote auteurs uit de rechtsgeschiedenis van de Lage Landen. Allerlei grote namen komen voorbij. Denk aan Grotius, De Pinto, Asser en Thorbecke, maar ook aan Van Vollenhoven, Scholten, Van der Pot en Nieuwenhuis. Voorts passeren enkele juridische boegbeelden uit Vlaanderen de revue. Deze zijn voor het Nederlandse lezerspubliek wellicht minder bekend, maar daarom niet minder interessant. Op de lijst staat overigens slechts één vrouw: Betsy Bakker-Nort. ’s Lands eerste vrouwelijke rechtenhoogleraar, Derkje Hazewinkel-Suringa, behoort, zo blijkt uit de inleiding, kennelijk wél tot het ‘peloton’ maar niet tot de ‘kopgroep’.

De Nederlandse en Belgische rechtsgeleerden die aan dit project meewerkten, leverden fraai werk af. Onder het motto ‘kort, maar krachtig’ stelden zij bijdragen op die, hoewel qua omvang beperkt, zeer informatief zijn. De stukken zijn bovendien toegankelijk geschreven en helder van opzet. De bundel is ook gemakkelijk te doorzoeken met behulp van twee registers. Kortom, een prachtig boek dat kan fungeren als naslagwerk én als kennismaking met oude werken uit de Nederlandstalige rechtswetenschap. (RJ)

G. Martyn, L. Berkvens & P. Brood (red.)
Juristen die schreven en bleven. Nederlandstalige rechtsgeleerde klassiekers
Hilversum: Uitgeverij Verloren 2020, 319 p., € 29