Boekbespreking. Dit boek vormt een publicatie naar aanleiding van de masterscriptie van Kiki Twisk, behaald aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. In dit boek staat de vraag centraal hoe de kwaliteit is van de bewijswaardering van DNA-mengprofielen door strafrechters. Het blijkt lastig om DNA-rapportages te begrijpen en correct te interpreteren, terwijl de toetsing juist van groot belang is bij dit soort rapportages. DNA kan namelijk een doorslaggevende rol spelen in sommige zaken, met name omdat het als ‘hard’ bewijs wordt gezien. Onjuist gebruik van deze bewijsvorm kan daardoor in het ergste geval leiden tot rechterlijke dwalingen.

De auteur begint met een nauwkeurige uiteenzetting van het juridische kader. In dit hoofdstuk wordt onder andere aandacht besteed aan de rol van de DNA-deskundige en verdachte in het proces rondom DNA-onderzoek. Daarnaast gaat de auteur in op manieren van bewijswaardering en wordt de deskundigenparadox uitgelegd. Om een beeld te schetsen van de complexiteit van DNA-onderzoek, volgt daarna een hoofdstuk over het verloop van zo’n onderzoek. Hierna worden verschillende methodes belicht die toegepast kunnen worden om dit onderzoek vervolgens bepaalde bewijskracht toe te kennen. De likelihood ratio en random-match-kans passeren onder andere de revue, waarna een uitleg van de Bayesiaanse methode volgt. Tot slot behandelt dit hoofdstuk de verschillende fouten die bij bewijswaardering van DNA voorkomen, zoals de prosecutor’s fallacy.

Deze uiteenzetting van de theorie vormt de aanloop naar een analyse van uitspraken van strafrechters. Hierin wordt onderzocht hoe vaak onduidelijkheden, vaagheden en fouten voorkomen in de manier waarop de strafrechter rapporten over DNA-mengprofielen uitlegt en als bewijs betrekt in de waarheidsvinding. De auteur komt tot de conclusie dat de waardering van DNA-mengprofielen als bewijs te wensen overlaat. In 55 van de 78 onderzochte uitspraken blijkt namelijk geen sprake te zijn van een goede bewijswaardering. Bijvoorbeeld de prosecutor’s fallacy wordt in 34,6% van de zaken aangetroffen en zo ontdekt de auteur vele fouten. Naar aanleiding van deze bevindingen wordt ten slotte een aantal aanbevelingen gedaan. De conclusie van het onderzoek is duidelijk: er gaat veel mis wanneer strafrechters DNA-mengprofielen als bewijs correct proberen te interpreteren. Dit terwijl het zo belangrijk is dat strafrechters hierin geen fouten maken, mede met het oog op de einduitspraak. Het is dus een kort maar interessant onderzoek dat de bewijswaardering van strafrechters bij DNA-mengprofielen terecht kritisch onder de loep neemt. Het boek is daarom zeker voor strafrechters een aanrader, maar ook voor iedere jurist die meer wil weten over de bewijswaardering van DNA. (PS)

K. Twisk
DNA-mengprofielen in strafzaken. Een jurisprudentieonderzoek naar de kwaliteit van de waardering van DNA-bewijs
Zutphen: Uitgeverij Paris 2019, 65 p., € 19,50