Boekbespreking. In dit boek staat de verhouding tussen de vrijheid van meningsuiting en uitingsdelicten centraal. De auteurs gaan in op de verschillende soorten uitingsdelicten. Per delict wordt besproken hoe de strafbaarstelling zich verhoudt tot de vrijheid van meningsuiting zoals vastgelegd in artikel 10 EVRM.

De auteurs bespreken in een overzichtelijk gesorteerd boek alle uitingen die wegens hun inhoud strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de zogenaamde uitingsdelicten. Ze gaan daarbij nadrukkelijk niet in op de rechtvaardiging van het bestaan van uitingsdelicten of het wezen van de uitingsvrijheid. De uitingsdelicten die aan de orde komen (tevens een uitputtende opsomming van alle uitingsdelicten), zijn: opruiing; het beledigen van bepaalde groepen en het aanzetten tot haat tegen, discriminatie van of geweld tegen bepaalde groepen; bepaalde wijzen van openbaren of verspreiden van aanstootgevende geschriften, kinderpornografie en dierenpornografie; smaad(schrift), laster en eenvoudige belediging; de belediging van bijzondere organen en functionarissen, de lasterlijke aanklacht, smaad jegens een overledene en het bij bovengenoemde horende verspreidingsdelict en ten slotte de bedreiging. Dit laatste delict is geen uitingsdelict in eigenlijke zin maar wordt toch besproken. De auteurs gaan hierop in omdat bepaalde uitlatingen soms in bedreigende taal zijn gesteld.

Janssens en Nieuwenhuis nemen als uitgangspunt voor hun bespreking dat uitingsdelicten strafrechtelijke beperkingen van de vrijheid van meningsuiting zijn. Een verdachte zal dan ook vrijwel altijd een beroep kunnen doen op die vrijheid van meningsuiting (behalve in gevallen van belediging door een feitelijkheid zoals het gooien van een verfbom naar de Gouden Koets). In deze context van de uitingsvrijheid is de jurisprudentie van het EHRM zeer relevant.

Het boek vangt dan ook aan met een hoofdstuk waarin het grondrecht op vrijheid van meningsuiting en de mogelijkheden om dit recht te beperken aan de orde komen (hoofdstuk 2). Hierbij gaan de auteurs vooral in op artikel 10 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM. In de daaropvolgende hoofdstukken (3-5) worden de afzonderlijke uitingsdelicten (zie hierboven) besproken. Deze bespreking is opgedeeld in drie delen: de strafbare beledigingen, opruiing en bedreiging, en pornografie. Alle hoofdstukken en paragrafen hebben een vergelijkbare opbouw waarin aandacht is voor de historie, ratio legis en delictbestanddelen. Eveneens komt de vraag hoe het delict zich verhoudt tot de vrijheid van meningsuiting telkens aan bod. Daarna wordt aandacht besteed aan de bijzondere positie van uitgevers, drukkers en parlementariërs (hoofdstuk 6). De auteurs eindigen met een besluit waarin zij enkele beschouwende opmerkingen maken.

Nieuw in de vierde druk van dit boek is dat de bepaling die godslastering strafbaar stelt is komen te vallen, evenals de aparte strafbaarstelling van de majesteitsschennis. Daarnaast is er nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad waarin aandacht wordt besteed aan de positie van politici en de context van het maatschappelijke debat bij individuele beledigingen. Ten slotte wordt in de vierde druk nieuwe jurisprudentie van het EHRM en de Nederlandse rechter besproken.

Al met al biedt dit boek een mooi overzicht van de verschillende uitingsdelicten. De auteurs bespreken helder de verhouding tussen uitingsvrijheid en uitingsdelicten en de invloed van artikel 10 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM op de Nederlandse wetgeving en jurisprudentie. Dit boek is daarom een uitstekende studiepocket, geschikt voor alle studenten die interesse hebben in het strafrecht of juristen die werkzaam zijn in de praktijk. (MR)

A.L.J. Janssens & A.J. Nieuwenhuis
Uitingsdelicten
4e druk, Studiepockets strafrecht 36, Deventer: Wolters Kluwer 2019, 476 p, € 40