Boekbespreking. De Jonge VAR 2018 had als thema ‘feitelijk leidinggeven en bestraffende sancties in het bestuursrecht bij samenwerkingsverbanden’. In deze bundel zijn preadviezen opgenomen die vanuit verschillende invalshoeken ingaan op dit thema. Tijdens de VAR-vergadering zijn deze preadviezen besproken. Ook een verslag van deze discussie (door Van Nijnanten) is terug te lezen in de bundel. Het boek bestaat, naast het verslag van de vergadering, uit vijf pre­adviezen. Ik bespreek alle kort en ga vooral in op de stellingen en aanbevelingen.

In het eerste, inleidende, preadvies bespreken Hornman en Bleeker de voorwaarden voor aansprakelijkheid. Zij stellen dat een ondergrens voor de mogelijkheden om gedragingen aan de rechtspersoon toe te rekenen wenselijk is. Daarnaast zou het wenselijk zijn indien de bestuursrechter meer inzicht geeft in de toepassing van de criteria voor aansprakelijkheid.

Het tweede preadvies (Bleeker) gaat over bestuurdersaansprakelijkheid in het milieurecht. Hij signaleert dat de Afdeling het overtredersbegrip zo ruim invult, dat bestuurders terecht bang worden voor bestuursrechtelijke milieuaansprakelijkheid. Zijn aanbevelingen komen er in de kern op neer dat de Afdeling voor het overtrederschap aansluiting zou moeten zoeken bij strafrechtelijke leerpunten, omdat de huidige bestuursrechtelijke criteria voor functioneel plegen en feitelijk leidinggeven te weinig richtinggevend zijn. Tevens stelt Bleeker dat de civielrechtelijke drempel van ‘persoonlijk verwijt’ zijns inziens niet thuishoort in het bestuursrecht.

Daarna volgen Van Overbeek en Dusée met een preadvies over het beboeten van feitelijk leidinggeven en medeplegen door toezichthouders (ACM, AFM en DNB) in het economisch bestuursrecht. Zij concluderen dat toezichthouders pas overgaan tot het beboeten van feitelijk leidinggevers, wanneer hen een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Er is daardoor geen sprake van (verkapte) risicoaansprakelijkheid.

Het vierde preadvies gaat over de evenredigheid van bestraffende sancties in concernverband in het punitief financieel bestuursrecht en het strafrecht. Van der Linden en Winkels betogen dat het punitief finan­cieel bestuursrecht zich dient te conformeren aan de in het strafrecht geldende beginselen, met name het schuldbeginsel en de delictsevenredigheid. Daarnaast moet volgens hen alleen de draagkracht van de betrokken rechtspersoon in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de hoogte van een sanctie.

Het laatste preadvies betreft de zorgplicht van leidinggevenden. Hornman bespreekt deze zorgplicht aan de hand van (geactualiseerde) organisatietypologieën van Mintzberg. Hij gaat in op de vraag of de ene leidinggevende een andere zorgplicht heeft dan de andere en concludeert dat open criteria niet problematisch zijn, als de daarin besloten liggende norm maar voldoende kan worden geconcretiseerd. De typologieën maken dat mogelijk voor de bestuursrechter. Deze normen hebben echter meer toegevoegde waarde voor het strafrecht dan het bestuursrecht. Daarnaast verdient de invulling van de criteria door het CBb navolging in het gehele bestuurs- en strafrecht.

De bundel geeft al met al een mooi overzicht van het onderwerp. Doordat de auteurs verschillende professionele achtergronden hebben en vanuit verschillende invalshoeken kijken naar hetzelfde thema, komen tal van onderwerpen aan bod. Het geheel biedt een zeer lezenswaardige bundel. (MR)

T.R. Bleeker, M.C.C. van Overbeek, O.E.S. Dusée, M. van der Linden, J. Winkels & M.J. Hornman
Sanctionering van ondernemingen en bestuurders in het bestuursstrafrecht. Samen werken is samen de klos?
Jonge VAR-reeks, deel 17. Den Haag: Boom juridisch 2019, 352 p., € 39