Boekbespreking. In dit boek presenteert Herregodts haar promotieonderzoek naar de wijze waarop de tuchtrechtspraak voor accountants, advocaten en artsen – drie vertrouwensberoepen – omgaat met bepaalde tuchtrechtelijke vraagstukken. Notarissen en gerechtsdeurwaarders worden niet in het onderzoek betrokken. Ze gaat hierbij met name in op het beoordelingskader dat de verschillende tuchtcolleges toepassen. Hoewel het gaat om verschillende beroepsgroepen, hebben de verschillende tuchtcolleges te maken met dezelfde rechtsvragen. Herregodts’ onderzoek is gericht op de vraag of de verschillende tuchtcolleges gemeenschappelijke normen toepassen. Hierbij staat overigens het materiële tuchtrecht centraal, het procesrecht blijft onbesproken.

Herregodts onderzoekt juist deze drie beroepsgroepen, omdat zij drie belangrijke overeenkomsten ziet. In de eerste plaats heeft de tuchtrechtspraak een wettelijke grondslag. Daarnaast is het tuchtrecht niet-hiërarchisch. Dat wil kortweg zeggen dat collega’s en rechters de zaken beoordelen, en niet bijvoorbeeld hogergeplaatsten. Tot slot is sprake van vertrouwensberoepen: beroepen waarin de cliënt een grote kennisafstand heeft tot de professional, die specialistische kennis en kunde gebruikt.

De onderzoeksmethode bestaat uit een ‘interne rechtsvergelijking’: uitspraken van de tuchtcolleges voor deze beroepsgroepen in de periode 2012 tot 1 juni 2017 zijn met elkaar vergeleken. Herregodts behandelt negen verschillende onderwerpen waarmee het spectrum volledig lijkt te worden behandeld. Het gaat om de toepasselijkheid van regels in de privésfeer en in andere professionele hoedanigheden, autonomie en integriteit, geheimhouding, communicatie, dossiervorming, vaktechnische kwaliteit, samenwerken en leidinggeven en ongeschiktheid voor de beroepsuitoefening door fysieke of geestelijke gesteldheid en verslaving.

Herregodts baseert haar onderzoek op twee aannames, namelijk dat het tuchtrecht voor deze drie beroepen vergelijkbaar is en dat het tuchtrecht voor ieder afzonderlijk beroep coherent is, dus dat de verschillende tuchtrechtregimes afzonderlijk een samenhangend systeem hanteren. Het is lovenswaardig dat de auteur deze aannames onderkent en onderbouwt.

Ze behandelt na de inleiding het juridisch kader van het tuchtrecht. Vervolgens behandelt ze achtereenvolgens de genoemde onderwerpen. Herregodts komt tot de conclusie dat er inderdaad overeenkomsten bestaan tussen het tuchtrecht voor de drie beroepen. Ze formuleert op basis van haar onderzoek vijf fundamentele beginselen voor alle drie de beroepsgroepen: (1) het beginsel van professionele autonomie en professionele oordeelsvorming; (2) het beginsel van zorgvuldige omgang met (de belangen van) de cliënt; (3) het beginsel van vaktechnische kwaliteit, (4) het beginsel van geheimhouding; en tot slot (5) het beginsel van professioneel gezag. Dat laatste betekent dat handelingen in de privésfeer de beroepsuitoefening kunnen raken.

Verschillend is echter de aard van de normatieve kaders: tuchtregels worden neergelegd in wettelijke regelingen, soft law, of beide. De regeldichtheid verschilt ook per beroepsgroep en de tuchtrechtelijke regimes zijn soms rule-based, soms principle-based. Ook de focus verschilt: de medische tuchtrechter is gefocust op kwaliteit, die van accountants op onafhankelijkheid en die van de advocatuur is van oudsher gericht op relaties met derden, zoals klanten, andere advocaten en de rechter. In die laatste beroepsgroep verschuift de focus thans naar kwaliteit. Tot slot verschilt de taakopvatting: de medische tuchtrechter kijkt meer naar de oorzaken van fouten dan de tuchtrechters van advocaten en accountants.

Dit proefschrift bevat al met al een complete, grondige en overtuigende analyse. Het boek draagt bij aan de theorievorming over het tuchtrecht. Voor de praktijk is met name de oproep om meer met deze interne rechtsvergelijking te doen relevant: betrokkenen kunnen leren van uitspraken van tuchtcolleges voor andere beroepen. (JvM)