Boekbespreking. De rechtsgeleerde Gerard Noodt heeft twee keer – in 1699 en 1706 – in het Groot Auditorium van het Academiegebouw aan het Rapenburg in Leiden een rede gehouden ter gelegenheid van zijn afscheid als rector magnificus van de Universiteit Leiden. De eerste was getiteld Over de soevereiniteit van het volk, de tweede Over religie vrij van overheersing overeenkomstig het volkenrecht. Reeds in 2017 bracht Elsevier Weekblad Noodts eerste rede opnieuw uit, in een vertaling van Hans van Cuijlenborg, en in september 2018 deed zij met de tweede rede hetzelfde, in een vertaling van dezelfde hand. Het boek waarin deze tweede rede is ondergebracht, draagt de titel Over de vrijheid van godsdienst. Een invloedrijke rede uit 1706 over religie, vrij van heerschappij en vormt het onderwerp van onderstaande bespreking.

Dit boek bestaat uit vier delen. Het voorwoord van de hoofdredacteur van Elsevier Weekblad Arendo Joustra, de inleiding op de rede met de titel ‘Gerard Noodt en het achttiende-eeuwse Nederlandse debat over godsdienstvrijheid’ van Joris van Eijnatten, hoogleraar cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, en de bijdrage ‘Over het leven van Gerard Noodt’ door de al genoemde Joustra lenen zich weliswaar ook voor afzonderlijke lezing, maar zijn met name een goede – en extensieve – opmaat naar de parel van het boek: de rede van Noodt zelf. Terwijl de twee stukken van Joustra een wat algemener karakter hebben, in de zin dat zij inzicht verschaffen in de achterliggende gedachte van het opnieuw uitbrengen van Noodts redes – te weten dat ‘in Nederland helaas vaak de neiging bestaat naar buitenlandse grootheden te verwijzen, met voorbijgaan van Nederlandse voorbeelden die soms hun tijd en andere denkers ver vooruit waren’, aldus Joustra – en het leven van de oud-rector magnificus van de Leidse Universiteit, bekommert het artikel van Van Eijnatten zich in het bijzonder om de rede van Noodt, die hij met de aanduiding ‘mijlpaal in de Europese ideeëngeschiedenis’ tooit. Een van de dingen die Van Eijnatten in zijn bijdrage aantekent, is dat de charme én zwakte van Noodts rede wellicht in één en hetzelfde feit gelegen zijn, namelijk dat zij een vurig pleidooi ten faveure van de godsdienstvrijheid bevat, maar met betrekking tot de reikwijdte van die vrijheid en de implicaties ervan voor de praktische eisen van een christelijk gemenebest vragen openlaat. Daardoor is zij enerzijds toegankelijk en leent zij zich voor meerdere interpretaties, zodat intellectuele stromingen van verschillende gading bij haar aansluiting konden vinden, maar anderzijds voert het misschien te ver om haar als daadwerkelijk radicaal aan te merken, aangezien haar pleit voor de vrijheid van godsdienst ook weer niet zó vernieuwend was en daarvan dus enige vrijblijvendheid uitgaat. Noodt zou in de periode na 1706 in het intellectuele debat dan ook met name bekendheid genieten als symbool en academische allemansvriend, maar de verwijzingen daarbinnen naar zijn rede werden niet steevast op grond van haar zuivere inhoud gemaakt.

Een en ander laat onverlet dat Noodts rede als meesterwerk te gelden heeft en dat het van lef getuigt om aan het begin van de achttiende eeuw als hoogleraar een heikel onderwerp als godsdienstvrijheid in het openbaar aan de orde te stellen. Noodt geeft zelf dan ook te kennen: ‘Ik besef terdege, waarde toehoorders, dat ik een richting insla die vol is van nijd, haat en laster […].’ Zijn rede leest als een gepassioneerde verdediging van de vrijheid van godsdienst. Haar focus ligt mijns inziens op de voorstelling van een drietal voorwaarden die alle uit de natuurwet voortvloeien en waaraan zulke vrijheid moet voldoen: ten eerste moet het individu vrij zijn om zijn eigen overtuiging aan te hangen; ten tweede mag het individu zich uit vrije wil bij een kerkgenootschap aansluiten of dat weer verlaten; en ten derde dienen burgerlijke autoriteiten zich niet te bemoeien met godsdienstzaken, aangezien het maatschappelijk verdrag strekt tot een nachtwakersstaat en additionele begrenzingen van overheidswege van de vrijheid van burgers die niet strikt gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de maatschappelijke orde, van de hand gewezen moeten worden. Deze vereisten, die overigens helder geschetst worden in het genoemde stuk van Van Eijnatten, doen sterk denken aan moderne codificaties van de godsdienstvrijheid, zoals die in artikel 6 Gw.

Zoals vermeld, stelt Joustra in zijn voorwoord dat het opnieuw uitbrengen van de rede van Noodt begrepen moet worden tegen de achtergrond van de volgens hem in Nederland bestaande neiging om sneller naar buitenlandse dan naar nationale denkers te verwijzen. Ik zou daaraan willen toevoegen dat het lezen van Noodts rede, waarin godsdienstvrijheid en tolerantie als grote, zelfevidente goederen gepresenteerd worden en op de belangrijke deugd om in een ieder de mens te herkennen, gewezen wordt, een verfrissende werking heeft in onze ongelukkige tijd waarin religieuze spanningen voor zoveel onrust in de wereld zorgen en verdraagzaamheid jegens andere mensen én hun meningen geen vanzelfsprekendheid is. Het feit dat de rede van Noodt ruim 300 jaar na dato deze werking heeft, bewijst haar kracht en haar vermogen om de tand des tijds te doorstaan. (DS)

Gerard Noodt
Over de vrijheid van godsdienst. Een invloedrijke rede uit 1706 over religie, vrij van heerschappij
Diemen: EW 2018, 132 p., € 14,95