Boek_BemelmansBoekbespreking. Een jaloersmakend proefschrift. Niet alleen vanwege het mooie onderwerp – de onschuldpresumptie geldt als een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van het (Nederlandse) strafprocesrecht – maar ook vanwege de wijze waarop de auteur achter dit onderwerp een prachtige piramide doet verrijzen waarin hij een groot aantal andere beginselen die het strafprocesrecht sturing geven op coherente, logische en gestructureerde wijze een plek weet te geven. Het achterland van het volgens Corstens/Borgers ‘strikt genomen wat merkwaardige uitgangspunt’ blijkt van een grote rijkdom, waardoor het principe niet alleen op zichzelf interessant is maar ook een uitermate geschikte lens blijkt te bieden om de structuur van het straf(proces)recht door te bezien. Een laatste, niet onbelangrijke reden om het proefschrift met jaloezie te lezen is de buitengewoon elegante en vlotte penvoering die het bovendien met veel durf geschreven betoog van extra glans voorziet. (Aspirant-)promovendi kunnen gelukkig wel geruststelling putten uit het gegeven dat een proefschrift met dergelijke allure dan ook met het predikaat cum laude wordt beoordeeld.

Men zou wellicht verwachten dat vanwege de relevantie van het onderwerp en de daarmee kennelijk verknoopte schakering aan andere beginselen al bibliotheken over het vermoeden van onschuld zouden zijn volgeschreven. Het tegendeel blijkt het geval. Hoewel ieder strafprocesrechtelijk handboek er tenminste enige aandacht aan besteedt (de betreffende passages dienen overigens wel aangepast dan wel aangescherpt te worden, nu Bemelmans al in de eerste pagina’s van zijn boek duidelijk maakt dat de hierin vervatte definities geen van alle toereikend zijn), komt de auteur in een verkenning van beschikbare literatuur slechts tot een handvol artikelen die exclusief aan dit beginsel zijn gewijd. Het geeft om te beginnen aan dat veel van het in het proefschrift vervatte onderzoek origineel werk moet zijn, waarbij de auteur op eigen kompas heeft moeten varen. Wellicht is het ook vanwege deze eerder beperkte aandacht voor zijn onderwerp dat Bemelmans in zijn probleemstelling direct zijn duivels ontbindt en het onderwerp van het proefschrift met veel overtuigingskracht verdedigt. Twijfel aan de relevantie van wat komen gaat is hierna al niet goed meer mogelijk. Wat volgt is een grondig onderzoek waarvoor naast Nederlandse en internationale positiefrechtelijke rechtsbronnen ook is geput uit rechtshistorische en -theoretische literatuur. Het resultaat van het klassiek juridische onderzoek behelst vervolgens in de eerste plaats een onderscheid tussen een behandelingsdimensie en een bewijsdimensie. Dit onderscheid wordt mede gemaakt op basis van de functie in het strafproces – zo betreft de bewijsbeslissing een relatief korte tijdspanne, terwijl de behandeling de gehele strafvordering doortrekt. Maar de auteur laat zien dat het onderscheid ook samenhangt met een andere historische achtergrond. Uit deze twee dimensies leidt de auteur vervolgens enkele subnormen af die van belang zijn bij ofwel de bewijsbeslissing ofwel de bejegening van de verdachte. Vanaf hier ontspringen twee zich vertakkende sporen waar in het geval van de bewijsdimensie de bewijslastverdeling, het verbod op vooringenomen waardering en een strikte maatstaf – buiten redelijke twijfel – en voor de bejegeningsdimensie het verbod op de verbale en de – zich weer verder vertakkende – non-verbale bejegening als schuldige achter schuil gaan. Dat in de zich vertakkende subnormen weer andere fundamentele rechtsbeginselen opduiken demonstreert in zekere zin nog eens extra de buitengewoon fundamentele waarde van de overkoepelende notie van de onschuldpresumptie. Deze andere rechtsbeginselen krijgen in het raamwerk van Bemelmans bovendien een coherente plek toebedeeld waardoor ook zij na afronding van dit proefschrift minder op zichzelf zijn aangewezen.

In lijn met zijn keuze voor twee dimensies worden voorts eerdere pogingen om tot één kern van de onschuldpresumptie te komen dan wel tot meerdere (onderling verbonden) aspecten door Bemelmans afgewezen. De vraag die zich na uitwerking van beide dimensies opdringt – valt eigenlijk wel te spreken over één overkoepelend beginsel, of vertegenwoordigen beide dimensies feitelijk twee gerelateerde, maar toch vooral gescheiden beginselen? – wordt door de auteur ontkennend beantwoord. Nadat dus een veelheid aan rechtsnormen is ondergebracht bij ofwel de piramide waarbij aan de top de behandelingsdimensie staat, ofwel bij de piramide met aan de top de bewijsdimensie, constateert hij dat de steen die beide piramides tot één beginsel kan verbinden niet goed gelegd kan worden. De auteur besluit zijn boek met een kritiek op de te ver buiten de door hem voorgestane lijntjes kleurende EHRM-jurisprudentie en vervolgens een pleidooi voor een duidelijker, nationale invulling voor het (of de) beginsel(en). (LN)

J.H.B. Bemelmans
Totdat het tegendeel is bewezen. De onschuldpresumptie in rechtshistorisch, theoretisch, internationaalrechtelijk en Nederlands strafprocesrechtelijk perspectief
Serie Staat en Recht 35, Deventer: Wolters Kluwer 2018, 648 p., € 55