KatanBoekbespreking. Wat weet een rechtspersoon? Een vraag die regelmatig aan de orde komt in de juridische praktijk – denk aan gevallen van dwaling, waarbij het de vraag is of de ‘dwalende’ ten tijde van de aankoop van het gebrek wist – maar waaraan in de literatuur nog betrekkelijk weinig aandacht is besteed. Het proefschrift van Branda Katan, Toerekening van kennis aan rechtspersonen, brengt daarin verandering. Katan behandelt achtereenvolgens algemene vraagstukken van toerekening, ‘eenvoudige gevallen’ en ‘ingewikkelde gevallen’. Zij gaat daarbij in op zowel de toerekening van kennis van organen van de rechtspersoon als de kennis van functionarissen daarvan en vergelijkt daarbij ook regelmatig het Nederlandse met het Duitse recht.

Vreemd genoeg, aldus Katan (p. 80), bestaat er geen algemene wettelijke grondslag voor de toerekening van kennis van functionarissen aan een rechtspersoon. Voor functionarissen die werken op basis van een volmacht is er artikel 3:66 lid 2 BW; voor andere gevallen valt men doorgaans terug op het Kleuterschool Babbel-­arrest. Hierin oordeelde de Hoge Raad dat gedragingen aan een rechtspersoon kunnen worden toegerekend wanneer zij in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als gedragingen van deze rechtspersoon. In enkele latere arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ook de toerekening van kennis aan de hand van dit criterium­ dient plaats te vinden (p. 96 e.v.). Voor ‘standaardgevallen’ biedt deel 2 van het proefschrift de nodige aanknopingspunten om dit open criterium nader in te vullen (p. 164 e.v.). De auteur verwijst daarbij naar het Duitse recht, waarin het begrip Wissensvertreter is geïntroduceerd. De rechtsvergelijking met Duitsland biedt hier duidelijke aanknopingspunten om dit dogmatisch lastige probleem nader in te kleuren en op te lossen.

Datzelfde geldt voor de bespreking van de toerekening van kennis van bestuurders aan de rechtspersoon in gevallen van vertegenwoordiging (p. 193 e.v.). De kennis van de bestuurder geldt dan in beginsel als kennis van de rechtspersoon. Katan gaat hier uitgebreid in op de discussie die met name in Duitsland is gevoerd over de vraag of deze toerekening gebaseerd moet worden op § 166 BGB, het Duitse equivalent van artikel 3:66 lid 2 BW, en wijst dit uiteindelijk af. Volgens Katan zit de toerekening van kennis ‘ingebakken’ in de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid. Zij neemt hiermee een duidelijk ander standpunt in dan bijvoorbeeld Kroeze in Asser 2-I* 2015/348 en beargumenteert dit overtuigend.

Het venijn zit als vaker in de staart – deel 3 handelt over de ingewikkelde gevallen. Interessant is bijvoorbeeld het vraagstuk van de kennisversplintering. Wat te doen met de situatie dat de ‘handelende’ functionaris niet beschikt over relevante informatie, maar iemand anders in de organisatie van de rechtspersoon wel? ‘Wist’ de rechtspersoon het dan, of niet? Ook hier kijkt Katan naar Duitsland, meer in het bijzonder naar de daar bedachte figuur van de Wissens­organisationspflicht. De rechtspersoon heeft een plicht tot het voeren van een behoorlijke organisatie en moet er – kort gezegd – voor zorgen dat relevante informatie binnen de organisatie beschikbaar is voor degenen voor wiens handelen de informatie relevant is (p. 253). Na een kwalificatie daarvan bespreekt Katan of en hoe de ‘organisatieplicht’ in het Nederlandse recht kan worden ingepast.

Het boek sluit af met ‘hoedanigheidssituaties’: welke rol speelt de hoedanigheid waarin een functionaris of (lid van een) orgaan de kennis heeft opgedaan bij de toerekening daarvan? Hier neemt Katan de stelling in dat het enkele feit dat kennis in de privésfeer is opgedaan, onvoldoende is om aan te nemen dat voor toerekening geen plaats is (p. 395 e.v.). In de genuanceerde paragraaf 11.3.3 geeft zij wel een (andere) verklaring voor terughoudendheid: de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hier biedt ook de Duitse juridische dogmatiek betrekkelijk weinig houvast, wat waarde toevoegt aan Katans diepgravende analyse.

De ingewikkeldheid van de ‘ingewikkelde gevallen’ in het derde deel maakt de bespreking hier bij vlagen minder concreet dan de meer ‘eenvoudige’ gevallen in de twee delen daarvoor. Zo spreekt hoofdstuk 11 (over de hoedanigheidsproblematiek) van ‘terughoudendheid’ bij toerekening; terughoudendheid brengt uiteraard niet met zich dat van toerekening geen sprake kan zijn. Het zal aankomen op een weging van belangen en omstandigheden, waarbij eerdergenoemde terughoudendheid steeds een rol speelt. Niettemin reikt Katan wel degelijk handvatten aan, schroomt zij niet om stelling in te nemen en behandelt zij de materie diepgravend.

Dit maakt dit boek tot een onmisbaar werk bij vragen van toerekening van kennis aan rechtspersonen, dat tal van situaties en varianten op systematische wijze behandelt en concrete antwoorden geeft. (OO)

B.M. Katan
Toerekening van kennis aan rechtspersonen
Serie Onderneming en Recht deel 98, Deventer: Wolters Kluwer 2017, 609 p., € 79,50