web_SnelBoekbespreking. Wie zijn Ars Aequi naast een aflevering van – om wat te noemen – het American Political Science Review legt, zal het meteen opvallen. Waar een methodenparagraaf in nagenoeg alle disciplines een vast en dikwijls substantieel onderdeel vormt van een wetenschappelijke publicatie, worden de gebruikte methoden in rechtsgeleerde stukken maar hoogstzelden verantwoord. Zeker dogmatici bekommeren zich niet of nauwelijks om hun onder­zoeksmethoden, althans zij verantwoorden deze methoden maar zelden uitdrukkelijk. Waarschijnlijk heeft de geringe aandacht voor methoden een dieperliggende oorzaak: nog altijd leeft de gedachte dat ‘onderzoekers wel weten wat ze doen’, oftewel dat de juridische dogmatiek een algemeen aanvaarde, door eenieder gebruikte set van methoden kent die vanzelf spreekt. Het onderzoekslandschap zou getekend worden door olifantenpaadjes die niet telkens verantwoording behoeven.

Sinds pakweg 2000 heeft het rechtsgeleerde discours niettemin meer aandacht voor zijn methoden of zijn gebrek daaraan – de strijd om NWO-onderzoeksgelden speelt hierin allicht een rol (zie Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/ 9 en 26). Toch blijft als gezegd een methodenparagraaf veelal achterwege. Ook is niet geheel duidelijk welke olifantenpaadjes er dan zijn, waar ze liggen en waarom ze bestaan. Wellicht is de methodologie van de rechtsgeleerdheid niet langer non-existent, maar nog steeds is zij onderontwikkeld. Waar kan een student of promovendus, on­ervaren in het doen van dogmatisch onderzoek, vinden hoe hij dat onderzoek moet verrichten?

Het toegankelijke proefschrift van Marnix Snel vormt een eerste, voorzichtige aanzet tot het ontwikkelen van een methodologie van juridisch-dogmatisch onderzoek. Snel interviewde 34 professoren om te weten te komen welke eisen de juridische gemeenschap stelt aan het verzamelen en verwerken van bronnen in tijdschriftartikelen en proefschriften. Daaruit blijkt dat het brongebruik eerst en vooral controleerbaar moet zijn: een onderzoeker behoort precieze bronvermeldingen op te nemen waar hij iets aan een zekere bron ontleent. Die bronnen moeten, in de tweede plaats, nauwgezet aansluiten bij de vraag die de onderzoeker wenst te beantwoorden. Ze moeten in de derde plaats gebalanceerd zijn, dat wil zeggen een juiste afspiegeling vormen van het bestaande materiaal. In de vierde plaats hechten de ondervraagde hoogleraren aan geloofwaardig brongebruik: de onderzoeker moet bronnen steeds getrouw interpreteren. Snel geeft telkens de nodige voorbeelden.

Zo algemeen geformuleerd mogen deze eisen aan brongebruik vanzelf spreken, over de praktische uitwerking daarvan bestond onder de professoren de nodige onenigheid. Hoeveel verantwoording, hoe streng de methodologische eisen en hoe uitbundig het noten­apparaat – de meeste olifanten­paadjes lijken onverhard. Daarbij komt nog dat de door Snel gehouden interviews, zoals hij zelf ook aangeeft, nog weinig zeggen over de praktijk. Methodologische lippendienst is tenslotte gemakkelijker dan dagelijkse bronnenstiptheid. Bij de afronding van een onderzoek álle bronverwijzingen nog eens nauwgezet nalopen, met de originele bron in de hand, is ongetwijfeld nuttig maar in de praktijk nogal vermoeiend. Dit geldt te meer voor de academische rechtsgeleerde die publish or perish als ongekozen levensmotto heeft.

Niet verrassend identificeert Snel ook enkele gevaren. Zo kan de onderzoeker bepaalde bronnen missen als hij niet ver genoeg doorklikt of juist een bibliotheekbezoek achterwege laat. Ook denkbaar en volgens de professoren niet ongewoon zijn onuitgesproken voorkeuren in de bronnenselectie – een artikel van een directe collega bereikt net iets eerder de stapel ‘te verwerken literatuur’. Steeds dreigender is het digitale gevaar: de overvloedige beschikbaarheid van digitaal materiaal maakt de taak van een onderzoeker er niet gemakkelijker op. Het onderscheid tussen de Asser en een weblog van De Vries Advocaten vervaagt, althans voor de beginnend onderzoeker.

Het proefschrift van Snel is een welkome bijdrage in het methodendebat. Er is denkelijk geen behoefte aan wéér een discussie over de wetenschappelijkheid van de rechtsgeleerdheid of nóg een dispuut over de wenselijkheid van methoden. Met Snel zou ik denken dat de rechtsgeleerdheid vooral praktische methoden­conventies nodig heeft. Het zou bijvoorbeeld goed zijn een uitgewerkte verwijssystematiek te ontwikkelen. Terwijl ‘vgl.’ in een verwijzing van alles kan betekenen, wordt ‘anders’ te vaak gebruikt om afwijkende ideeën zonder argumenten terzijde te schuiven. Zoals Snel terecht concludeert, valt met het verduidelijken van deze en andere spelregels van juridisch onderzoek veel winst te behalen. Zijn proefschrift geeft een goedgemikte voorzet. Idea­liter krijgt de Leidraad spoedig een inhoudelijke, methodologische pendant. (KvV)

M.V.R. Snel
Meester(s) over bronnen. Een empirische studie naar kwaliteitseisen, gevaren en onderzoekstechnieken die betrekking hebben op het brongebruik in academisch juridisch-dogmatisch onderzoek
Diss. Tilburg, Den Haag: Boom juridisch 2016, XIV + 261 p., € 53