web_ZeeBoekbeschouwing. Heilige identiteiten is een populaire uitgave gebaseerd op Zees proefschrift, Choosing Sharia? Multiculturalism, Islamic Fundamentalism and Sharia Councils, dat inmiddels ook gepubliceerd is (Eleven International Publishing 2016). Zees onderzoek richt zich op de verhouding tussen staat en religie, meer specifiek op het bestaan van shariaraden.

Het eerste deel van het boek beschrijft het moslimfundamentalisme. Op aanmatigende toon wijst Zee op de gevaren van het moslimfundamentalisme voor onze Europese waarden. Zo bestaan er volgens Zee inmiddels ‘nieuwe praktische grenzen aan de vrijheid van meningsuiting’, door aanslagen en bedreigingen jegens mensen die zich uitspreken tegen de islam. Ook ‘is het simpelweg een feit’ dat islamiti­sche en seculiere wetten met elkaar concurreren op westerse bodem. Die ‘feiten’ worden kort door de bocht beargumenteerd, waardoor de kritische lezer niet snel overtuigd zal zijn.

Die kritische lezer brengt mij bij het tweede deel over het multi­culturalisme, waarin de aanmatigende toon aanzwelt terwijl boude stellingen nauwelijks worden onderbouwd. Dat wordt pijnlijk zichtbaar waar Zee een betoog afsteekt over ‘multiculti-gezinde individuen’ die worden beschreven als ‘useful idiots [o]f beter nog, useful infidels’, een groep gevoed door aca­demici en verdere elite. Zij staan ‘voor de erkenning van de moslimidentiteit’ en springen derhalve regelmatig voor moslims in de bres. Volgens Zee wordt die houding inge­geven door de gedachte dat moslims geen debat aankunnen over de fundamentalistische islam en daarom beschermd dienen te worden tegen negatieve uitlatingen. Dit ‘politiek-correcte denken’ zorgt ervoor dat veel mensen zich niet meer negatief zouden durven uitspreken over de islam. Ook deze argumenten blijven als assumpties in de lucht zweven.

Wij belanden aan bij het derde deel van het boek, waarin volgens Zee het moslimfundamentalisme en multiculturalisme samenkomen als zij de shariaraden bespreekt. Zee is slechts twee dagen aanwezig geweest bij shariaraden in Groot-Britannië, en weet op basis van de observaties die gedurende deze twee dagen zijn gedaan de stelligste conclusies te trekken. Dat moeten zeer representatieve en alomvattende dagen zijn geweest; andere weten­schappers (of ‘nuttige ongelovigen’, zo u wilt) trekken dan ook in sterke bewoordingen de wetenschappelijkheid van Zees onderzoek in twijfel (zie bijvoorbeeld ‘Oorlog in de islamologie: haters tegen wegkijkers’, NRC 7 oktober 2016). Zelf vindt Zee haar korte bezoek geen probleem, omdat niemand haar observaties heeft betwist (‘De jongste telg van de felle islamkritiek’, Volkskrant 15 oktober 2016); het kan zijn dat dat een nieuwe interpretatie van het falsi­ficationisme is, maar het getuigt mijns inziens van een laag wetenschappelijk gehalte.

In dit deel ontketent Zee een jihad tegen de shariaraden. Of dat terecht is laat ik hier in het midden, maar erg overtuigend is haar betoog niet. De kortstondig­heid van haar bezoek draagt daar natuurlijk aan bij, maar ook andere zaken vallen op. Wanneer een ‘shariarechter’ zegt dat de religieuze wet in Groot-Britannië slechts kan functioneren onder de voorwaarde dat het statelijk recht het hoogste is, ‘is het maar de vraag of [hij] het meende’. Immers willen alle – ik vraag mij daarbij hardop af hoeveel Zee er in twee dagen ontmoet heeft – vertegenwoordigers van de sharia­raden een parallel rechtssysteem voor moslims.

Opmerkelijk is verder Zees interpretatie van een recent vonnis van Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2016:8). Partijen hebben in Nederland een islamitisch huwelijk gesloten, maar zijn geen burgerlijk huwelijk dan wel geregistreerd partnerschap aangegaan. De man wil niet meewerken aan een scheiding naar islamitisch recht, en de vrouw vordert een gebod tot medewerking. Kort gezegd sorteert het huwelijk volgens de rechter geen civielrechtelijk effect, waardoor zij nog steeds in Nederland in het huwelijk kan treden en zij niet wordt beperkt in haar rechten. Op grond van haar godsdienstvrijheid staat het haar vrij zich wel of niet aan de voorschriften van islamitisch huwelijksrecht te onderwerpen, waardoor zij bijvoorbeeld de zaak voor kan leggen aan een shariarechtbank. Volgens Zee zegt de rechter daarmee dat de vrouw ‘maar naar de Londense shariaraad’ moet. Zij vindt het ‘werkelijk stuitend dat een Nederlandse rechter een Nederlandse vrouw verwijst naar een theocratisch instituut – dat zich ook nog eens in een ander land bevindt’. Meerdere dingen vallen op. De rechter rept met geen woord over de Londense sharia­raad. Bovendien ziet hij blijkbaar geen juridische mogelijkheid de man te dwingen tot een reli­gieuze echtscheiding; het staat eenieder immers vrij zich te onder­werpen aan religieuze voorschriften en de (religieuze) consequenties daarvan moeten gedragen worden. Mijns inziens doet de rechter daarmee juist wat Zee eigenlijk wil: hij erkent het islamitische huwelijk, en dus het ‘parallelle rechts­systeem’, niet in rechte. Als hij een gebod tot medewerking aan de islamitische echtscheiding had uitgesproken, had hij immers bevestigd dat het islamitisch huwelijk rechtsgevolgen sorteert – iets dat naar Nederlands burgerlijk recht niet kan (art. 1:30 lid 2 BW). Dit voorbeeld is kenmerkend voor de toon van het boek. Zee heeft de waarheid in pacht, en wie dat niet wil inzien is een nuttige ongelovige. Om die ‘waarheid’ aan de man te brengen heiligt het doel de middelen.

Zee komt ook lof toe omdat ze, in een tijd waarin ook academici in het publieke debat niet worden ontzien, een beladen onderwerp heeft onderzocht en vervolgens de discussie hierover niet uit de weg is gegaan. De wetenschappelijke kwaliteit van het boek raakt echter aan een dieperliggend probleem dat ziet op de bijdrage van dit soort betogen aan het maatschappe­lijk debat. Wetenschappers hebben een belangrijke maatschappelijke taak in het informeren van de samenleving over hun bevindingen en moeten in dat kader alles kunnen zeggen. Die maatschappelijke taak brengt echter mee dat dat wel goed onderbouwd, waarheidsgetrouw en – per definitie ­– met de gepaste nuance moet gebeuren. Waar dat niet gebeurt is de waarde ervan voor een serieus debat miniem. Bij precaire onderwerpen zoals deze is dat ook zorgelijk gezien de continue politisering van het onderwerp. Zorgelijker nog wordt het waar een dergelijke boodschap wordt verkondigd bij monde van een populaire uitgeverij, die immers een veel groter en bovendien ander bereik zal hebben dan de gebruikelijke wetenschappelijke uitgevers.

Het boek van Zee zet aan tot denken. Over de wenselijk­heid van parallel functionerende rechtbanken die, erkend of niet, de facto toch de nodige macht uitoefenen. Dat blijft een schaakspel tussen verschillende vrij­heden en welke daarvan doorslaggevend zou moeten zijn. Maar bovenal over de rol van wetenschappers in het maatschappelijk discours. (FvdP)

M. Zee
Heilige identiteiten. Op weg naar een shariastaat?
Amsterdam/Antwerpen: Querido 2016, 167 p., € 18,99