PeristeridouBoekbespreking. Het materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel is – zo leert de rechtenstudent reeds bij zijn eerste kennismaking met het strafrecht – een van de meest fundamentele strafrechtelijke leerstukken. Niet veel later leert diezelfde student dat het geldende Nederlands strafrecht slechts ten dele valt terug te voeren op nationale rechtsbronnen. EU-recht en EHRM-jurisprudentie eisen immers een belangrijke en nog altijd uitdijende plaats op. Tussen deze twee waarheden zit echter een spanning. Waar het Europese recht nationale rechtsstelsels in toenemende mate overwoekert, dreigt aan het nationale legaliteitsbeginsel het zonlicht te worden ontnomen. Het Europese recht kent weliswaar zijn eigen legaliteitsbeginsel (art. 49 Handvest), maar hierdoor wordt de vraag of er in de verschillende rechtsstelsels een eenduidige betekenis van dit beginsel te ontwaren valt alleen maar prangender.

Dat zo een eenduidige betekenis nog wel eens problematisch zou kunnen zijn vermoedt de geïnteresseerde al bij het zien van de toren van Babel op de omslag van het proefschrift waarop Christina Peristeridou op 11 december 2015 promoveerde. Inderdaad constateert de auteur reeds in het begin van het boek dat op verschillende wijzen kruisbestuiving plaatsvindt tussen het EU-recht, nationale rechtsstelsels en het EVRM, maar dat van een coherente of consistente interpretatie geen sprake is. Peristeridou gaat vervolgens als een tuinman te werk om in de wildgroei aan in de verschillende jurisdicties levende operationaliseringen van het legaliteitsbeginsel – alsmede functionele equivalenten – een voedingsbodem te vinden voor een eenduidige Europese interpretatie.

Daartoe maakt zij eerst een vergelijking tussen continentaal recht (Nederland en Duitsland) en de common law-traditie (Engeland), waarin het beginsel een meer impliciete rol speelt. Zij constateert dat beide tradities in de voorbije decennia meer naar elkaar toe zijn gegroeid, waarbij met name speelt dat door toedoen van het EHRM de Engelse conceptualisering ook in continentale rechtsstelsels wortel heeft geschoten. Vervolgens voorziet het boek in een zoektocht naar een optimale interpretatie van het legaliteitsbeginsel, hetgeen zijn beslag krijgt aan de hand van een systematisering in drie ideaaltypische conceptualiseringen: een rigide (‘formalistische’), een fluïde (‘pragmatische’) en een gebalanceerde (‘relationele’) interpretatie. De auteur verkiest op verdedigbare gronden de laatstgenoemde als meest geschikte om de uiteenlopende doelen van het strafrecht te verenigen. Deze interpretatie wordt vervolgens afgezet tegen de huidige praktijk van een – in de ogen van de auteur – instrumentalistische inzet van het strafrechtelijk instrumentarium door de Europese wetgever. Een praktijk die volgens haar deels te wijten is aan de huidige Europese wetgevingscultuur, die tot wasdom is gekomen onder invloed van een primaire oriëntatie op de interne markt. In het verlengde hiervan besluit het proefschrift met enkele concrete aanbevelingen die bestaan uit het wieden van overwegend instrumentalistische tendensen, om zo ruimte te scheppen voor een meer gebalanceerd Europees strafrecht. Aldus zaait de auteur hoop voor de toekomst. Bij de lezer die graag in metaforen denkt dringt zich het beeld op van hangende tuinen. (LN)

Christina Peristeridou
The principle of legality in European criminal law
School of Human Rights Research Series 75, Cambridge/Antwerpen/Portland: Intersentia 2016, xiv + 360 p, € 79