Boek_TervoortBoekbespreking. Het is alweer van 2013 dat Tervoort zijn fraaie proefschrift verdedigde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Die studie draaide om het beheersverbod zoals dat ex artikel 21 WvK van toepassing is ten aanzien van de commanditaire vennoot(schap). Het betoog van Tervoort heeft intussen – na een succesvol door A-G Timmerman in het belang der wet ingesteld cassatieberoep – geleid tot een belangrijke koerswijziging van de Hoge Raad. Men zie in dat verband HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1413, NJ 2015/380, JOR 2015/192 (Lunchroom De Katte­rug). In dit boek, dat is verschenen nu de huidige wettekst van de personenvennootschap ‘zelfs bij benadering geen goed beeld geeft van dit onderdeel van het vennootschapsrecht’, bespreekt Tervoort de regels omtrent de Nederlandse personenvennootschap in bredere zin.

De opzet is als volgt. Hoofdstuk 1 en 2 zien op de algemene aspecten, zoals het onderscheid tussen rechtspersoonlijkheid en rechtssubjectiviteit – zie voor een interessante gedachtegang in dit verband de annotatie van Raaijmakers bij VDV Totaalbouw in AA 2015, afl. 10 (AA20150801) – en de motieven (met name fiscale) voor de keuze van de personenvennootschap. Het onderscheid tussen maatschap, vof en cv komt aan de orde in Hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het leven van de personenvennootschap grosso modo in chronologische zin beschreven.

Het ‘leven’ van de personenvennootschap vangt aan met het aangaan daarvan. Dit onderwerp bespreekt Tervoort in Hoofdstuk 4. Vervolgens komen verschillende aspecten van de rechtsbetrekkingen tussen de vennoten onderling (Hoofdstuk 5) en de rechtsbetrekkingen tussen vennoten en derden (Hoofdstuk 6) aan bod. Wat het eerste punt betreft valt bijvoorbeeld te denken aan afspraken aangaande het beheer – op verschillende niveaus – van de vennootschap en onderlinge winstverdeling. In de tweede categorie valt onder andere aansprakelijkheid – zowel in relatie tot de vennootschap als de vennoten afzonderlijk – wegens onrechtmatige daad. Hoofdstuk 5 en 6 vormen samen met Hoofdstuk 7 en 8 het zwaartepunt van Het Nederlandse personenvennootschapsrecht. Aldaar worden toe- en uittreding van vennoten, voortzetting (Hoofdstuk 7) en beëindiging (Hoofdstuk 8) van de vennootschap besproken. De voor de praktijk uitermate relevante voortzettings- en verdelingsregelingen (en de consequenties daarvan, zoals vereffening) komen uitgebreid aan bod.

Tervoort sluit af met een beschouwing aangaande IPR-aspecten van de personenvennootschap (Hoofdstuk 9) en een kort overzicht van de problematiek inzake geschillenbeslechting, in Hoofdstuk 10. Het Nederlandse personenvennootschapsrecht kent een goede balans: het werk is beknopt van omvang, maar waar nodig gedetailleerd. Concluderend kan slechts gezegd worden dat het boek van Tervoort een zeer welkome aanvulling vormt voor de rechtspraktijk. (TiK)

A.J.S.M. Tervoort
Het Nederlandse personenvennootschapsrecht
Recht en Praktijk Ondernemingsrecht, deel ONR8, Deventer: Wolters Kluwer 2015, XIV + 333 p., € 68.