PenningsBoekbespreking. Het socialezekerheidsrecht hangt, historisch gezien, sterk samen met de staat. Normaliter beperken staten verplichtingen en verantwoordelijkheden die voortvloeien uit het sociale­zekerheidsrecht tot het eigen territoir of de eigen onder­danen. Dit staat bekend als het territorialiteitsbeginsel. Zo stellen veel staten bijvoorbeeld de voorwaarde dat een onderdaan slechts gerechtigd is tot een pensioenuitkering, als hij of zij woont in de staat die uitkeert. Het territorialiteitsbeginsel is een belemmering voor de verwezenlijking van het vrij verkeer van werknemers. Immers, een Unieburger die, na een lang arbeidsverleden in een andere lidstaat, terugkeert naar zijn of haar vaderland, kan voor een onaangename verrassing komen te staan wanneer hij geen uit­kering krijgt.

Om een einde te maken aan dit obstakel voor het vrij verkeer van werknemers tekende de Raad van Ministers in 1971 al verordening 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 op, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Deze verordening betrof de coördi­natie, niet de harmonisatie, van de socialezekerheidsstelsels van de Unie. Dit had tot gevolg dat problemen, zoals het hierboven genoemde, werden voorkomen, maar dat verschillen in de socialezekerheidsstelsels tussen lidstaten bleven bestaan. Deze verordening stond centraal in de vorige edities van Pennings’ Euro­pean Social Security Law. In 2010 trad de nieuwe verordening 886/2004 in werking. Vijf jaar, en heel wat uitspraken van het Hof later, is het daarom tijd voor een nieuwe druk.

Het boek bestaat uit twee delen: het eerste deel (achttien hoofdstukken) behandelt de nieuwe verordening, het tweede deel (twee hoofdstukken) heeft betrekking op Europese initiatieven die harmonisatie van het sociaal beleid beogen. Na een drietal inleidende beschouwingen (het concept coördinatie, de rechtsbasis en de voorwaarden voor toepasselijkheid van de verordening) volgt het boek grofweg de structuur van de verordening. Zo heeft Titel I van de verordening onder andere betrekking op de persoonlijke werkingssfeer (hoofdstuk 4) en de materiële werkingssfeer (hoofdstuk 5). Titel II bepaalt de vaststelling van de toepasselijke wetgeving (hoofdstuk 6 en 7). De hoofstukken 8 tot en met 10 vormen een intermezzo waarin non-discriminatie in het kader van de verordening wordt behandeld. Titel III gaat in op verschillende soorten uitkeringen: ziekte-uitkeringen (hoofdstuk 11), pensioen­uitkeringen (hoofdstuk 12), invaliditeits­pensioenen (hoofdstuk 13), gezinsbijslagen (hoofdstuk 14) en werkeloosheidsuitkeringen (hoofdstuk 15). De hoofdstukken 16 en 17 behandelen (i) de relatie tussen verordening 883/2004 en bilaterale verdragen en (ii) overeenkomsten tussen de Unie en derde landen met betrekking tot coördinerende bepalingen. Het tweede deel beschrijft de instrumenten die de Unie voorhanden heeft om vorm te geven aan sociaal beleid (hoofdstuk 19) en hoe deze instrumenten worden toegepast in het kader van gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat hun kansen op de arbeidsmarkt en de behandeling op het werk betreft. Al met al, vult Pennings met deze nieuwe editie van European Social Security Law de lacune die is ontstaan na de inwerkingtreding van verordening 886/2004. Dit maakt het boek onmisbaar voor de lezer die geïnteresseerd is in de Europeanisering van het sociale­zekerheidsrecht. (KB)

F. Pennings
European Social Security Law
Cambridge/Antwerpen/Portland: Intersentia 2015, 383 p., € 49,90