BergerBoekbespreking. Dit boek bevat een bundeling van een drieluik uit het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, onder redactie van Berger. Kort gezegd beschrijft het – zoals de titel reeds doet vermoeden – de rol van Nederlanders in de oorlog betreffende de Pauselijke Staat (1860-1870), de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en de huidige strijd in het Midden-Oosten. Door middel van een vergelijking wordt onderzocht ‘of de Nederlandse jihadgangers uniek zijn in hun soort, en of er iets typisch “islamitisch” of “allochtoon” aan hun gedrag ten grondslag ligt, of dat hun beweegredenen te verklaren zijn als Nederlanders in bijzondere omstandigheden’.

Het boek heeft een interessante benadering, die tevens aangenaam is uitgewerkt. Elke periode wordt behandeld aan de hand van een aantal ijkpunten, te weten (i) de context van de desbetreffende ideologie in Nederland, (ii) de aard en toedracht van het conflict, (iii) de Nederlandse publieke opinie, (iv) de achtergronden en motivatie van de Nederlandse strijders en (v) het optreden van de overheid. Deze aanpak biedt de lezers houvast in de (rechts-)historische sneltreinvaart langs de Nederlandse foreign fighters. Afsluitend formuleert Berger een conclusie, en wordt er nog stil gestaan bij de (geplande) ontneming van het Nederlanderschap bij jihadistische activiteiten.

Berger concludeert dat, hoewel er verschillen zijn, overeenkomsten tussen de drie groepen lijken te overheersen, en dat beweegredenen vooral te verklaren zijn door een bijzondere situatie. Dit omdat jonge mensen in elk conflict bereid waren te strijden voor hun ideaal, en door omstandigheden zowel naar het conflict getrokken werden (‘pull-factoren’), als van hun thuishaven weggeduwd werden (‘push-factoren’).

Toch lijkt met name de vergelijking tussen de jihadisten en zoeaven op te gaan. Beiden strijden uit naam van god en zijn derhalve – in de woorden van Koolen – een ‘religieus geïnspireerd avonturier’. Hoewel armoede, of in ieder geval materiële uitzichtloosheid, bij de brigadisten ook een rol speelde, was deze push-factor voornamelijk aanwezig bij de zoe­aven en jihadisten. Ook van groot belang was de uitsluiting, discriminatie en vervreemding van katholieken en moslims in (delen van) Nederland ten tijde van de conflicten.

Interessant is dat zowel absoluut als relatief gezien er in het Midden-Oosten veel minder Nederlanders vechten dan in beide andere conflicten het geval was. De zoeaven betroffen zo’n 0,6% van de Nederlandse bevolking, de brigadisten zo’n 0,007%, en de 180 Nederlandse strijders in Syrië en omstreken betreffen maar zo’n 0,001% van de bevolking.

Waarom er meer ophef lijkt te zijn over de huidige jihadisten dan de zoeaven respectievelijk brigadisten destijds, komt in het boek maar kort aan de orde. De impact van de strijd in Syrië op de Nederlandse samenleving is groter, nu via (sociale) media veel meer beeldmateriaal sneller beschikbaar is. Daarbij speelt ook zeker een rol dat de drijf­veren van zoeaven en brigadisten door een veel groter deel van de Nederlanders werden gedeeld dan thans ten aanzien van jihadisten het geval is. Tevens wordt aangenomen dat terugkerende jihadisten een groter gevaar vormen voor de Nederlandse staatsveiligheid, omdat nu ‘het Westen’ vaak ook als vijand wordt gezien. Het gevaar dat terugkerende jihadgangers uit Arabische conflictgebieden vormen, is daarbij uit eerdere conflicten reeds gebleken.

Dat bij de concrete verklaringen voor dit verschil in impact maar kort wordt stilgestaan is jammer. Hoewel het kort wordt aangehaald speelt ook zeker een rol dat terugkomers vaak kennis hebben opgedaan over, dan wel getraind zijn in het plegen van aanslagen. Bovendien is het heden ten dage een fluitje van een cent om in contact te blijven met kameraden op het strijdveld. Wellicht is dat kost voor een volgend drieluik.

Uit zowel de media als het boek blijkt dat er een grote valkuil bestaat om de schuld voor het huidige jihadisme in andermans schoenen te schuiven. Hoewel sterk genuanceerd, is ook Berger in die valkuil gelopen door de Nederlandse samenleving de opdracht te geven naar ‘zichzelf’ te kijken. Maar hier ligt juist het probleem: dit impliceert namelijk nog steeds een wij-zij verhouding. De oplossing ligt juist in het wij-gevoel: pas dan kunnen we een belangrijke voedingsbodem van radicalisering wegnemen.

Zoals reeds genoemd, sluit het boek af met een betoog tegen het afnemen van het Nederlanderschap van terugkomers, daar enkele beoogde mogelijkheden daartoe afbreuk zouden doen aan wezenlijke aspecten van de rechtsstaat.

Uit dit betoog blijkt wederom eigenlijk vooral wat voor ingewikkeld instrument het afnemen van het Nederlanderschap is. Mocht de regering haar plan doorzetten, zal met deze complexiteit in ieder geval rekening moeten worden gehouden bij de belangenafweging die wordt gemaakt waar de nationaliteit wordt afgepakt. Daarbij is rechterlijke toetsing van groot belang, doch mijns inziens wel op initiatief van de nationaliteit­verliezende zelf. De Groot en Vonk vragen zich openlijk af waarom de rechter zich niet direct zou moeten uitlaten over het afpakken van nationaliteit, maar dit blijft toch in zekere zin een politieke afweging.

Het is echter belangrijk om ons niet blind te staren op het ‘veiligheidsideaal’ en onverhoopt allerlei regelgeving in te voeren die zich dubieus verhoudt tot onze rechtsstaat. De Groot en Vonk roepen niet voor niets op om ‘in de strijd tegen jihadisten het hoofd koel te houden en juist de waarden van onze rechtsstaat te koesteren’. (FvdP)

M.S. Berger (red.)
Nederlanders in de heilige oorlog: zoeaven, brigadisten en jihadisten
Den Haag: BJu 2015, 135 p., € 27,50