Boekbespreking.

09-2015_boek_Rechterlijk_overgangsrechtHet rechterlijk overgangsrecht krijgt tegenwoordig steeds meer aandacht. Mogelijk is dit gevolg van het feit dat de rechter steeds vaker rechtsvormend optreedt en zich meer bewust is van de gevolgen die een rechterlijke uitspraak kan hebben. Oorspronkelijk werd aan rechterlijke uitspraken veelal slechts een declaratoir karakter toegekend: de rechter stelt slechts vast hoe het recht is. Dat leidt tot een noodzakelijke terugwerkende kracht van rechterlijke uitspraken: als de rechter vaststelt hoe het recht is, stelt hij tegelijkertijd vast hoe het recht altijd geweest is (behoudens eventuele wetswijzigingen). Dit is onder meer problematisch als wordt teruggekomen op eerdere rechtspraak (zie voor een komische verhandeling daarover O.A. Haazen, Algemeen deel van het rechterlijk overgangsrecht (diss. Tilburg), p. 51 e.v.). Reeds lange tijd is men zich bewust van de fictie van het declaratoire karakter, maar de aanvaarding van de constitutieve theorie leidt ook tot problemen, zij het tot andere. Verstraelen behandelt in haar proefschrift de ingewikkelde, maar mede daardoor zeer interessante problematiek van het rechterlijk overgangsrecht.

Het boek is opgebouwd uit vijf inhoudelijke delen. In het eerste deel beschrijft Verstraelen de taak van de rechter. Met dit deel kent het boek een wat lange aanloop. De auteur heeft circa honderd pagina’s nodig om tot haar ‘voorlopige bemerking’ te komen dat de rechter op legitieme wijze aan rechtsvorming doet, welke stelling onder meer wordt geadstrueerd aan de hand van een uitgebreide beschrijving van de wijze van benoeming van de rechter en de onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Daarna komt Verstraelen tot de kern van het rechterlijk overgangsrecht. In het volgende deel wordt een theoretisch kader opgesteld waarin de verschillende mogelijke temporele dimensies aan bod komen: terugwerkende kracht, onmiddellijke werking en uitgestelde werking. Fraai is vervolgens het hoofdstuk waarbij aandacht wordt besteed aan de verschillende belangen die in het geding zijn bij het vaststellen van de temporele gelding van rechterlijke uitspraken. Vervolgens bespreekt Verstraelen de toepassing van het rechterlijk overgangsrecht op uitspraken van de ‘gewone rechter’, rechters die de (grond)wettigheid van normen kunnen controleren, zoals het Grondwettelijk Hof en de Raad van State en tot slot wordt de problematiek besproken met betrekking tot Europese rechtscolleges, waarbij allerhande complicaties in verband met de uniforme toepassing van het Unierecht aan de orde komen.

Het lijkt de mogelijkheid van toetsing van de (grond)wettigheid te zijn waardoor in België problemen van rechterlijk overgangsrecht zich veel vaker voordoen dan in Nederland. Bij dit alles besteedt Verstraelen niet alleen aandacht aan de gevolgen van rechterlijke rechtsvorming, maar ook – misschien zelfs vooral – aandacht aan de vraag of, en zo ja: hoe, rechters de temporele werking van hun uitspraken kunnen en mogen moduleren. Het boek sluit af met een samenvatting waarin overzichtelijk de kernstellingen van de auteur worden weergegeven, met verwijzingen naar de verschillende delen waarin de stellingen zijn uitgewerkt, hetgeen de lezer die op zoek is naar een specifiek deelonderwerp op weg helpt. (EV)

S. Verstraelen
Rechterlijk overgangsrecht
Diss. Antwerpen, Antwerpen/Cambridge: Intersentia 2015, 518 p., € 120