Boekbespreking.

09-2015_boek_De_GeschaftsgrundlageAls partijen een overeenkomst aangaan, kunnen zij daarvoor de meest verschillende motieven hebben. Wanneer partijen overeenkomsten aangaan met een langere looptijd, zullen partijen impliciet bepaalde verwachtingen hebben over hoe de wereld eruitziet gedurende de looptijd en wat de functie van de overeenkomst daarin is. Deze en aanverwante kwesties worden door Abas behandeld in zijn nieuwste boek, dat gaat over de Geschäftsgrundlage.

De Geschäftsgrundlage is een uit Duitsland stammend leerstuk. Letterlijk vertaald betreft dit leerstuk de grondslag of het fundament van de (rechts)handeling tussen partijen. Het gaat daarbij in de woorden van het Bundesgerichtshof om de gemeenschappelijke voorstelling van de beide contractspartijen of de voor de wederpartij kenbare en door haar niet betwistte voorstellingen van de andere partij met betrekking tot de aanwezigheid, het toekomstig intreden of voortbestaan van bepaalde omstandigheden, waarop de wil van het sluiten van de overeenkomst is gebouwd (zie p. 22-23). Een bekend voorbeeld uit de Engelse rechtspraak kan dit verduidelijken (zie p. 25 e.v.). Teneinde de kroning van Edward VII in 1902 goed te kunnen gadeslaan, huurde Henry een flat van Krell op de middag van de kroningsoptocht. Kort voor de optocht loopt de koning echter een blindedarmontsteking op, waardoor de optocht niet doorgaat. Dient Henry nu desondanks de huurprijs te betalen aan Krell? Hij huurde de flat immers met de voorstelling en het doel om vanuit de flat de optocht te kunnen aanschouwen.

Abas beschrijft in zijn boek de geschiedenis van de Geschäftsgrundlage en haar ontwikkeling in Duitsland, waarbij vele bijzondere – dat is eigen aan het onderwerp – casus de revue passeren. Via de receptie in Italië, Portugal en Spanje (en het ontbreken van receptie in Frankrijk) komen we terecht bij het Nederlandse recht. Het boek mondt uit in een pleidooi voor de omarming van dit leerstuk in het Nederlandse recht. Hoewel het Abas uiteindelijk te doen is om een codificatie van het leerstuk in een door hem nieuw geformuleerd artikel 6:258 BW, wil hij vooral ook erkenning in literatuur en rechtspraak van dit leerstuk. Hij ziet ruimte weggelegd voor de Geschäftsgrundlage in (onder meer) de volgende gevallen: (i) dwaling met betrekking tot de toekomstverwachting(en), hetgeen volgens Abas gebrekkig is gecodificeerd in artikel 6:228 BW; (ii) de bezwaarlijkheid van presteren wegens buitengewone en onvoorziene omstandigheden; (iii) het al dan niet aanwezig zijn van vergunningen, van welke aanwezigheid door een of meer van de partijen (impliciet) is uitgegaan; (iv) de overeenkomst zonder oorzaak (wanneer datgene wat partijen beogen reeds ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet verwezenlijkt kan worden); (v) een meer algemene functie die Abas verbindt met het Haviltex-arrest, die betrekking heeft op de wederzijdse verwachtingen van partijen en de zin die aan contractsbepalingen kan worden gegeven.

Het boek is prettig geschreven en geeft de geïnteresseerde lezer veel aanvullende (buitenlandse) literatuur waaruit geput kan worden. De grote hoeveelheid voorbeelden, waarmee het betoog is gelardeerd, maken dat het eenvoudig is een voorstelling te maken bij de verscheidenheid van gevallen waarin de Geschäftsgrundlage een rol kan spelen. (EV)

P. Abas
De Geschäftsgrundlage
Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2014, 194 p., € 21,95