Boekbespreking.

BergstromJonssonCornellIn dit boek worden aan de hand van essays van verscheidene auteurs de veranderingen besproken die hebben plaatsgevonden in de internationale samenwerking op het gebied van strafrecht en politiewerkzaamheden sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009. De auteurs analyseren deze gevolgen aan de hand van drie concepten die volgens hen een grote rol spelen bij de werking van dit verdrag: het wet- en regelgevingsproces op het gebied van politie en strafrecht, de middelen en bevoegdheden op dit gebied van de lidstaten en de Europese Unie als geheel, en de moeizame verhouding tussen effectieve opsporing en privacy van de inwoners van de Europese Unie.

Het boek bestaat uit vier delen. Het eerste deel betreft de totstandkoming en ontwikkeling van Europees Strafrecht. Zo analyseert Ester Herlin-Karnell in haar bijdrage of er sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon meer eenheid is gekomen in het Europese strafrecht. Zij onderzoekt op welke onderdelen deze eenheid en effectiviteit is gerealiseerd, maar beschrijft ook hoe (grote) verschillen tussen Europees en nationaal strafrecht hieraan in de weg staan. Hierna volgt een interessante bijdrage van Anna Wetter, waarin zij verdedigt dat er verschillende principes zijn waar de Europese wetgever bij het ontwikkelen van Europees strafrecht te weinig rekening mee houdt. Bijvoorbeeld het proportionaliteitsbeginsel of het ultima ratio-principe, waar mee wordt bedoeld dat strafrechtspleging een last resort zou moeten zijn. Het deel wordt afgesloten met een bijdrage van Peter Asp, waarin hij in grote lijnen laat zien dat er nog veel te verbeteren is bij de concrete uitvoering van de Europese wetgeving. Dit kan volgens hem worden opgelost door verschillende principes beter in het Europees strafrecht te weven.

Het tweede deel behandelt de verhouding tussen de ontwikkelingen van het Europees strafrecht en de grondrechten van de burgers van de Europese Unie. Het eerste artikel van Theodore Konstadinides bespreekt de (nationale) rechten van mensen ter bescherming van hun privacy en dan met name in verhouding tot de Dataretentierichtlijn (2006/24/EG). Alexandros Loannis Kargopoulos bespreekt in het tweede essay de positieve invloed die het Europese Hof van Justitie (HvJ) volgens hem gehad heeft op de toepassing van het ne bis in idem-beginsel. De auteur meent dat het HvJ de problemen die voortkomen uit verschillende nationale wetgeving sterk vermindert. Het tweede deel wordt afgesloten met een nogal origineel stuk, geschreven door Per Ole Träskman. Hij beschrijft de samenwerking die op strafrechtelijk gebied bestaat tussen Scandinavische landen, en zet vervolgens uiteen hoe de introductie van hetEuropean Arrest Warrant (EAW) deze samenwerking lastig dan wel onmogelijk heeft gemaakt.

In de eerste bijdrage van deel 3 analyseert Anna Jonsson Cornell de gevolgen die het Verdrag van Lissabon gehad heeft op de samenwerking tussen politie-eenheden uit verschillende lidstaten. Eventuele moeilijkheden bij deze samenwerking schuilen er volgens haar in dat er een onduidelijke verdeling bestaat tussen wat onder de verantwoordelijkheid van lidstaten of Europa als geheel valt. De tweede bijdrage geschreven door Iain Cameron legt uit hoe privacy beter gewaarborgd kan worden, nu er steeds meer middelen bestaan voor grensoverschrijdende strafrechtpleging.

Het boek wordt afgesloten met twee bijdragen van Bo Wennström en Maria Bergström. In de eerste bijdrage wordt een prettig overzicht gegeven van de overige bijdragen en schrijft de Bo Wennström de rode draad van het geheel op. Hij concludeert uit alle bijdragen hoe het bestuderen, beoordelen, vormen en ontwikkelen van wetgevings- en beleidvormingsprocessen beter aangepakt kan worden. Tot slot evalueert Maria Bergström hoe de bevoegdheden van de Europese Unie zich hebben ontwikkeld als gevolg van het Verdrag van Lissabon. Daarna probeert zij de lezer er van te overtuigen dat het een gunstige ontwikkeling zou zijn als er meer macht van de lidstaten naar de Europese Unie zou worden overgedragen.

European Police and criminal law co-operation is een interessant en gevarieerd boek, omdat iedere auteur een andere invalshoek heeft gekozen. Het boek is zeker de moeite waard om in zijn geheel te lezen, maar de bijdragen zijn ook op individuele basis zeer de moeite waard. (CdK)

M. Bergström & A. Jonsson Cornell (red.)
European Police and criminal law co-operation
Oxford: Hart Publishing 2014, 236 p, £ 55