02-2015_boek_VormfoutenBoekbespreking.

De vraag of en in hoeverre de strafrechter gevolgen moet verbinden aan onrechtmatig opsporingsoptreden gedurende het strafrechtelijk vooronderzoek heeft de afgelopen jaren voor veel debat gezorgd. Kuiper stelt terecht dat ondanks de grote hoeveelheid rechtspraak van de Hoge Raad op dit onderwerp, in het bijzonder de standaardarresten uit 2004 en 2013 betreffende artikel 359a Sv (NJ 2004/376 en NJ 2013/308), er nog veel onduidelijkheid bestaat over de doelstellingen en het praktisch nut van reacties op vormverzuimen en het rechterlijk toetsingskader van onrechtmatig opsporingsoptreden. Hij beoogt met zijn proefschrift ‘bij te dragen aan een betere structurering en vruchtbaarder inhoud van het debat over de belangen­afweging in de rechtspraak en de wetenschap’ (p. 16). Het proefschrift is opgebouwd aan de hand van de volgende vier vragen: ‘(1) welke taak heeft de strafrechter bij het controleren en reageren op vormfouten en aan welke eisen moet zijn rechtspraak voldoen?; (2) hoe kan de doel-middel benadering bijdragen aan een betere taakvervulling?; (3) hoe heeft de Hoge Raad naar de huidige stand van de rechtspraak vormgegeven aan de uitoefening van die taak?; en (4) welke verbeteringen zijn mogelijk?’ (p. 18).

In het eerste deel van zijn proefschrift stelt Kuiper dat er drie doelen zijn met een sterke wettelijke grondslag die de rechter ertoe kunnen brengen om te reageren op vormverzuimen begaan in het vooronderzoek. Te weten het verzekeren van het recht op een eerlijk proces van de verdachte in de zin van artikel 6 EVRM, het bevorderen van een normconforme opsporing, en het bieden van compen­satie voor andere inbreuken dan die op het recht op een eerlijk proces (p. 75). In hoofdstuk 6 van het boek werkt Kuiper aan de hand van zijn analyse omtrent de controlerende taak van de rechter zijn ‘doel-middel benadering’ uit, welke sterk geïnspireerd is door de Amerikaanse rechtspraak. De doel-middel benadering houdt in dat het middel (het te verbinden rechts­gevolg) in verhouding moet staan tot het doel dat de rechter daarmee wil bereiken. Deze doeleinden zijn het waarborgen van een eerlijk proces voor de verdachte, het bevorderen van normconform gedrag van politie en het Openbaar Ministerie, en het compenseren van de verdachte indien inbreuk is gemaakt op zijn andere grondrechten. Na een uitgebreide bespreking van de wijze waarop thans de Hoge Raad omgaat met vormverzuimen in het vooronderzoek in hoofdstukken 7 en 8, komt Kuiper tot de conclusie dat de huidige rechtspraak voldoende toereikend is voor het waarborgen van het recht op een eerlijk proces van de verdachte (p. 591). Wat betreft de overige twee doelen stelt hij dat het moeilijk vast te stellen is of hier op effectieve wijze aan tegemoet wordt gekomen. De zittingsrechter krijgt immers maar een klein deel van de opsporingspraktijk onder ogen, is niet de eindverantwoordelijke voor de verwezenlijking van het bevorderen van normconform opsporingshandelen en heeft bovendien niet de benodigde instrumenten voor handen om te kunnen reageren op dergelijke verzuimen. Aangezien het eerste doeleinde een directe verantwoordelijkheid is van de zittingsrechter zal het verbinden van een rechtsgevolg in dit verband meer voor de hand liggen dan bij de andere twee doeleinden, waar de rechter zeer terughoudend zal moeten optreden. Hij beargumenteert dat om meer zicht te krijgen op de recht­matigheid van de opsporing en de wijze waarop tijdens de opsporing rekening wordt gehouden met andere grondrechten van verdachten, nader empirisch onderzoek nodig is. Hierbij kan bijvoorbeeld het oprichten van een ‘databank vormverzuimen’ zinvol zijn waarmee een duidelijker beeld wordt verkregen van de mate waarin vormverzuimen voorkomen en de aard en de oorzaken ervan. De rechter kan aan de hand van deze kennis beter invulling geven aan het ‘beleidsmatige aspect van het reageren op vormverzuimen’ (het bewegen tot normconformiteit van de opsporing). Bovendien kan de databank ook zicht bieden op die vormverzuimen waarvoor de verdachte gecompenseerd zou moeten worden (p. 599-600).

Op basis van zijn onderzoek komt Kuiper tot slot ook met een aantal aanbevelingen die zien op het verduidelijken van de rechtspraak omtrent de rechterlijke controle van vormverzuimen. Hij beargumenteert dat met het oog op de rechtszekerheid en duidelijkere toepassing van artikel 359a Sv, het zinvol zou zijn dat de rechter motiveert met welk ‘doel’ hij een sanctie verbindt aan een vormverzuim. (MS)

R. Kuiper
Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken
Diss. Nijmegen, Staat en Recht, deel 19, Deventer: Kluwer 2014, 673 p., € 65