1. Inleiding
Op 3 augustus 2015 werd het nieuwe brugdeel van de Koningin Julianabrug in Alphen aan de Rijn gehesen. Deze hijsklus werd uitgevoerd door twee mobiele hijskranen vanaf een pontonconstructie. Tijdens het hijsen van het brugdeel kantelde de pontonconstructie met de kranen tezamen met het gehesen brugdeel. De gehele opstelling viel op de naastgelegen woningen en winkelpanden. De ravage was enorm.
Naar aanleiding van dit incident heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: OvV) een onderzoek ingesteld. Uit dat onderzoek¹ is onder andere gebleken dat er een centrale partij, een coördinator, ontbrak die overzicht had over alle uit te voeren werkzaamheden en de daaraan verbonden risico’s aangaande de omgevingsveiligheid. Er bestond een juridische leemte in de bouwveiligheid voor de omgeving. De wetgever heeft besloten om deze leemte op te vullen door een waarborg in de nieuwe wetgeving te introduceren. Echter, de vraag is: wat houdt deze waarborg in?


2. Advies Onderzoeksraad van Veiligheid ten aanzien van omgevingsveiligheid
Naar aanleiding van het genoemde onderzoek1 heeft de OvV de minister voor Wonen en Rijksdienst geadviseerd om te bewerkstelligen dat opdrachtgevers in de overeenkomsten die zij sluiten met betrokken partijen één centrale partij aanwijzen die de verantwoordelijkheid draagt voor de risicobeheersing voor het gehele bouwproces, met inbegrip van omgevingsveiligheid. Daarentegen heeft de bouwsector gepleit om de omgevingsveiligheid in de (bouw)regelgeving te verankeren. De motivatie hiervoor is dat de verankering van de coördinator voor omgevingsveiligheid langs de privaatrechtelijke weg voor concurrentievervalsing in aanbestedingen zou zorgen.
Uiteindelijk heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister van BZK) toegezegd aan de Tweede Kamer om een coördinator voor omgevingsveiligheid2 in de bouwregelgeving op te nemen en dit te doen in lijn met de Veiligheids-en Gezondheidscoördinator (V&G-coördinator) uit het Arbeidsomstandighedenbesluit.3 Deze toezegging heeft geleid tot een nieuw ministerieel besluit, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Hierin wordt de coördinator voor omgevingsveiligheid geïntroduceerd onder de naam de veiligheidscoördinator directe omgeving


3. Besluit bouwwerken leefomgeving
Op 1 januari 2023 zal de Omgevingswet in werking treden. Het doel van de Omgevingswet is om de wetten voor de leefomgeving te bundelen en te moderniseren. Hierbij gaat het onder meer om wet- en regelgeving voor bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. In deze wet worden 26 bestaande wetten gebundeld tot één wet en worden 76 ministeriële maatregelen van bestuur (hierna: AMvB) beperkt tot vier AMvB’s. Eén van deze AMvB’s betreft het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) waarin de wetgever de rechtsfiguur van de veiligheidscoördinator directe omgeving heeft geïntroduceerd. Daarin heeft de wetgever uitgewerkt, voor zover voor dit artikel van belang, welke partijen in welke fasen van een bouw- of sloopproject veiligheidscoördinator directe omgeving moeten aanstellen, op grond waarvan deze aanstelling dient plaats te vinden, welke taken en bevoegdheden deze functionaris heeft, de opleidingsvereisten en de definitie van het begrip “directe omgeving’’.


4. Wie moet de veiligheidscoördinator directe omgeving aanstellen?
In artikel 7.3 Bbl heeft de wetgever bepaald dat degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht, zorg draagt voor de naleving van de regels over de activiteit. Blijkens de memorie van toelichting zijn de opdrachtgever en de hoofdaannemer de normadressaten in deze bepaling (normadressaat is degene op wie de wettelijke verplichting rust om de norm na te leven).4 Zij dragen zorg voor het voldoen aan de voorwaarden van de vergunning en de eisen van het Bbl. Bovendien dragen zij zorg voor de naleving van maatregelen uit het bouw- of sloopveiligheidsplan.
In de memorie van toelichting heeft de wetgever deze normadressering nader uiteengezet. Daarin heeft de wetgever gesteld dat het voor de hand ligt en dat de verwachting van de wetgever is dat de opdrachtgever in het voortraject het uitvoeren van een risicobeoordeling voor de veiligheid in de directe omgeving en het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan ex artikel 7.5a lid 2 Bbl bij de V&G-coördinator ontwerpfase5,6 belegt. Immers, deze V&G-coördinator is bij het project al betrokken op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hierdoor kunnen de benodigde maatregelen voor het ondervangen van deze restrisico’s worden meegenomen in de aanbesteding.7 Hiermee wordt tevens bereikt dat er een level playing field bij de aanbesteding ontstaat voor het bepalen van de prijs- aldus de wetgever.
Tijdens de toelichting van dit wetsvoorstel aan de Tweede Kamer, lichtte de minister van Binnenlandse Zaken (hierna: BZK) toe dat de rol van veiligheidscoördinator directe omgeving en die van V&G-coördinator goed te combineren zijn. Deze functies kunnen door dezelfde functionaris ingevuld worden en dit wordt zelfs aangeraden, want dan kan het bouw- of sloopveiligheidsplan voor de directe omgeving met het V&G-plan voor de bouwplaats ex artikel 2.28 van het Arbeidsomstandighedenbesluit geïntegreerd worden.8
De wetgever heeft voor de hoofdaannemer bepaald dat hij voor de veiligheidscoördinator directe omgeving tijdens de uitvoeringsfase aansluit bij de regeling van de V&G-coördinator van artikel 2.31 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.9 Met de woordkeuze “aansluit” heeft de wetgever in de juridische zin tot uitdrukking willen brengen dat de V&G-coördinator uitvoeringsfase eveneens de taak van de veiligheidscoördinator directe omgeving zal uitoefenen. Verder schrijft de wetgever in de memorie van toelichting voor dat er tussen de ontwerpfase en de uitvoeringfase een goede (warme) overdracht10 dient plaats te vinden van de V&G-coördinator ontwerpfase11 (die door de opdrachtgever is aangewezen) naar de V&G-coördinator uitvoeringsfase12 (die door de hoofdaannemer is aangewezen).

Concluderend kan hier gesteld worden dat de wetgever bij de totstandkoming van het Bbl helder uiteen heeft gezet dat de opdrachtgever een veiligheidscoördinator directe omgeving voor de ontwerpfase moet aanstellen en dat de opdrachtnemer hetzelfde moet doen voor de uitvoeringsfase. De wetgever ging hier zelfs zo ver in dat hij voor de opdrachtgever een oplossingsrichting heeft aangeboden met betrekking tot de verenigbaarheid van deze functie met die van de V&G-coördinator ontwerpfase. Voor de uitvoerende partij heeft de wetgever dit dwingend bepaald.


5. Wanneer moet er een veiligheidscoördinator directe omgeving aangesteld worden?
In artikel 7.5a lid 1 Bbl is bepaald dat er bij beoogde bouw- en sloopwerkzaamheden altijd een risicomatrix ex artikel 5.54 van het Bbl opgemaakt dient te worden. In de memorie van toelichting13 geeft de wetgever aan dat de risicomatrix een verplichte aanvraag- of indieningsvereiste voor een bouw- of sloopactiviteit wordt. Middels de risicomatrix wordt een duiding gegeven van de risico’s voor de veiligheid van omgeving. Deze risico’s zijn verbonden aan de beoogde bouw- of sloopwerkzaamheden en worden uitgedrukt in een puntenaantal. Het invullen van de risicomatrix kan op grond van artikel 5.55 van het Bbl resulteren in de verplichting om een veiligheidscoördinator directe omgeving als bedoeld in artikel 7.5b van het Bbl aan te stellen. Bovendien kan het invullen van de matrix resulteren in het opstellen van een bouw- of sloopveiligheidsplan. Daarnaast heeft de wetgever ten aanzien van het bouw- of sloopveiligheidsplan en de inzet van de veiligheidscoördinator directe omgeving bepaald dat het Bbl ook regelt dat de gemeente bij een maatwerkvoorschrift kan bepalen dat beide alsnog dwingend opgelegd kunnen worden indien de gemeente vindt dat dit noodzakelijk is voor de veiligheid van directe omgeving. Dit, ondanks dat het bouw- of sloopveiligheidsplan en een veiligheidscoördinator directe omgeving geen onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunningaanvraag.14


6. Opleiding veiligheidscoördinator directe omgeving
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Bbl in de Tweede Kamer aangaande de veiligheidscoördinator directe omgeving, heeft de Kamer als medewetgever aan de minister BZK gevraagd hoe ervoor gezorgd wordt dat deze veiligheidscoördinator directe omgeving voldoende voor zijn taak opgeleid is?15 De minister lichtte toe dat “degene die de veiligheidscoördinator in dienst neemt, ervoor verantwoordelijk is dat de coördinator in staat is (en wordt gesteld) om de in dit besluit geregelde werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Dit impliceert- aldus de minister van BZK- dat ervoor moet worden gezorgd dat de veiligheidscoördinator capabel is en voldoende opgeleid is. Hiervoor biedt de markt opleidingen op mbo- en hbo-niveau aan. In de praktijk zien we al dat grotere hoofdaannemers en opdrachtgevers veiligheidsdeskundigen in dienst hebben, minimaal op mbo-niveau maar meestal op hbo-niveau.”16
Uit deze toelichting van de minister van BZK aan de Tweede Kamer valt op te maken dat de wetgever onder “voldoende opgeleid” voor de taak van de veiligheidscoördinator zowel mbo- als hbo-niveau verstaat. Daarbij wordt verwezen naar veiligheidskundigen die beschikken over dat niveau. Hiermee heeft de wetgever niet alleen de hoogte van de opleiding aangegeven, maar ook de breedte. Dit zal, naar alle waarschijnlijkheid, de rechtspraktijk meer houvast bieden.


7. Rol veiligheidscoördinator directe omgeving
In artikel 7.5b Bbl is bepaald dat als op grond van artikel 7.5 of 7.5a een veiligheidscoördinator directe omgeving moet worden aangesteld, draagt degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht er zorg voor dat de veiligheidscoördinator directe omgeving de maatregelen coördineert die bij de bouw- of sloopwerkzaamheden worden getroffen ter uitvoering van de artikelen 7.15, 7.16, 7.17, 7.18 en 7.19 Bbl.
De maatregelen uit de artikelen 7.15, 7.16, 7.17, 7.18 en 7.19 Bbl richten zich op het voorkomen van letsel bij personen op belendende percelen (aangrenzend huis of perceel), alsook letsel bij personen die zich onbevoegd op de bouwplaats bevinden,17 maatregelen die gevolgen hebben voor de grondwaterstand, geluid-, trillingen,- hinder- en stofhinder, voor zover het betreft maatregelen om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein.
De wetgever heeft in artikel 7.7b sub b Bbl tevens bepaald dat de veiligheidscoördinator directe omgeving erop toe moet zien dat de hierboven aangehaalde maatregelen op doeltreffende wijze worden getroffen. Voor de werkzaamheden, die gelijktijdig of achtereenvolgend plaatsvinden, moet de veiligheidscoördinator directe omgeving erop toezien dat deze goed op elkaar zijn afgestemd, er voorlichting wordt gegeven aan degenen die de bouw- of sloopwerkzaamheden verrichten, alleen bevoegde personen de directe omgeving waar de bouw- of sloopwerkzaamheden worden verricht kunnen betreden en dat passende maatregelen worden getroffen als niet, onjuist of in onvoldoende mate uitvoering wordt gegeven aan het bovenstaande.
In de memorie van toelichting heeft de wetgever bepaald dat de veiligheidscoördinator directe omgeving specifiek de veiligheid in de directe omgeving van de bouwplaats coördineert, zoals de V&G-coördinator dit doet voor veiligheid op de bouwplaats. Daarbij heeft de wetgever kenbaar gemaakt dat het in de rede ligt om de rol van veiligheidscoördinator directe omgeving en die van V&G-coördinator bij een en dezelfde functionaris te beleggen. Hiermee wordt bereikt dat die ene functionaris de veiligheid op en rond de bouwplaats integraal beschouwt. Het betreft een overkoepelende blik op de veiligheid welke  kan ontbreken als de bij de bouw- en sloop betrokken partijen onafhankelijk van elkaar met een specifieke taak bezig zijn.18 De wetgever maakt deze zienswijze nog specifieker voor de uitvoeringsfase, waarvoor hij bepaalt naar analogie van artikel 2.31 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dat de veiligheidscoördinator directe omgeving tijdens de uitvoeringsfase als taak heeft namens de uitvoerende partij te bewerkstelligen dat de maatregelen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van derden op doeltreffende wijze worden toegepast. Daarbij dient de veiligheidscoördinator directe omgeving doeltreffende maatregelen te nemen indien daar naar zijn oordeel niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze uitvoering aan wordt gegeven. Bovendien moet hij ervoor zorgen dat het bouw- of sloopveiligheidsplan wordt aangepast indien de voortgang van het bouwwerk of de onderdelen daarvan daartoe aanleiding geven.19

Interessant aan het hierboven bepaalde voor de rol van de veiligheidscoördinator directe omgeving en de V&G-coördinator uit het Arbeidsomstandighedenbesluit is dat de wetgever allereerst duidelijk uiteen gezet heeft waar de ruimtelijke verantwoording van de één eindigt en van de ander begint. Tegelijkertijd vindt de wetgever de verenigbaarheid van beide functies bij één en dezelfde functionaris logisch.


7.1 Samenloop werkzaamheden met andere opdrachtnemers en opdrachtgevers in directe omgeving
In artikel 7.5b sub a Bbl is bepaald dat de veiligheidscoördinator directe omgeving maatregelen coördineert die bij de bouw- of sloopwerkzaamheden worden getroffen ter uitvoering van de artikelen 7.15 tot en met 7.19. Dit voor zover het maatregelen betreft om de veiligheid te waarborgen en de gezondheid te beschermen in de directe omgeving van het bouw- of sloopterrein. In de toelichting op dit wetsartikel heeft de wetgever ten behoeve van de veiligheid van de directe omgeving bepaald dat in een situatie waarin ook andere aannemers voor andere opdrachtgevers werkzaam zijn, (bijvoorbeeld een netbeheerder en een projectontwikkelaar met eigen aannemers die woningen bouwt in een werkgebied) zal de gemeente, als bevoegd gezag, in haar vergunningverlening erop moeten toezien dat in het bouw- of sloopveiligheidsplan van de een de werkzaamheden van de ander met mogelijke risico’s zijn benoemd en hoe daar rekening mee wordt gehouden. De wetgever vervolgt dat het de gemeente is waar de vergunningaanvragen samenkomen en dat zij weet wat er speelt in een bepaald gebied wat betreft geplande of in uitvoering zijnde bouwprojecten, wegwerkzaamheden en evenementen.20

In deze bepaling wijst de wetgever de vergunningverlener duidelijk aan als verantwoordelijke voor de coördinatie die ervoor moet zorgen dat al bij de vergunningverlening de coördinatie aangaande opdrachten van opdrachtnemers en opdrachtgevers die gelijktijdig uitgevoerd worden. Bovendien zal de vergunningverlener de samenlooppartijen erop moeten wijzen dat zij tegelijkertijd in een bepaald gebied werkzaam zullen zijn en dat dat laatste uitgewerkt dient te worden in hun bouw- of sloopveiligheidsplannen.  


8. Bevoegdheden veiligheidscoördinator directe omgeving
In artikel 7.5b Bbl is bepaald dat degene die de bouw- of sloopwerkzaamheden verricht er zorg voor draagt dat de veiligheidscoördinator directe omgeving de maatregelen coördineert en erop toeziet dat deze maatregelen op doeltreffende wijze worden getroffen.
Blijkens de memorie van toelichting heeft de wetgever bepaald dat de veiligheidscoördinator directe omgeving, net zoals voor de V&G-coördinator volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit geen publiekrechtelijke bevoegdheden zal verkrijgen. Hiermee bedoelt de wetgever dat de veiligheidscoördinator directe omgeving niet over de handhavings- en toezichtsbevoegdheden zal beschikken die publiekrechtelijk toegekend worden aan de overheidstoezichthouders, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Arbeidsinspectie of een gemeentelijke Omgevingsdienst. Deze keuze is staatsrechtelijk logisch want de veiligheidscoördinator directe omgeving wordt aangesteld door zowel een opdrachtgever als opdrachtnemer en niet door de overheid.
De wetgever heeft wel bepaald dat indien de veiligheidscoördinator directe omgeving zijn taak niet kan uitvoeren omdat zijn instructies niet door het eigen personeel, onderaannemers/nevenaannemers of derden worden opgevolgd, hij naar degene die hem in dienst heeft genomen moet gaan en zijn opdracht terug moet geven. Dit, omdat hij vindt dat de veiligheid in het geding is en omdat er in strijd met de voorwaarden van de vergunning wordt gehandeld. De opdrachtgever/hoofdaannemer dient dan in te grijpen en zo nodig de bouw/sloop stil te leggen totdat de veiligheid weer gegarandeerd kan worden. De wetgever heeft namelijk in de normadressaatbepaling uiteengezet dat de opdrachtgever of de hoofdaannemer de normadressaat (artikel 7.3 Bbl) zijn en zij dragen er zorg voor dat aan de voorwaarden van de vergunning en de eisen van het Bbl wordt voldaan. Tevens dragen zij er zorg voor dat de maatregelen uit het bouw- of sloopveiligheidsplan worden nageleefd indien er een bouw- of sloopveiligheidsplan is opgesteld. In het uiterste geval kan de gemeente de bouw/sloop stil leggen, al dan niet na signalen van betrokkenen of een handhavingsverzoek- aldus de wetgever.

Uit deze bepalingen blijkt dat de wetgever de opdrachtgever en hoofdaannemer, afhankelijk van het projectfase, als eindverantwoordelijken aanwijst als het gaat om het effectief functioneren van de veiligheidscoördinator directe omgeving. De wetgever heeft voor deze functionaris een wettelijke mogelijkheid gecreëerd om de opdracht terug te geven als zijn aanwijzingen niet opgevolgd worden. Hiermee heeft de wetgever een sterk signaal richting degene die hem aanstelt afgegeven, namelijk dat een taak wel gedelegeerd kan worden, maar dat de eindverantwoordelijkheid van deze taak alsnog op de opdrachtgever onderscheidenlijk hoofdaannemer blijft rusten.


9. Actueel houden van bouw- of sloopveiligheidsplan
In artikel 7.8 onder b Bbl is bepaald dat tijdens het verrichten van bouwwerkzaamheden het bouw- of sloopveiligheidsplan en de risicomatrix, naast onder andere de omgevingsvergunning, op de bouwplaats aanwezig moeten zijn. Volgens de memorie van toelichting dient de hoofdaannemer21 tevens het bouw- of sloopveiligheidsplan te actualiseren als hij in de uitvoeringsfase keuzes maakt inzake de logistiek, bouwplaatsinrichting, bouwmaterialen, bouwvolgorde en bouwtechniek die in de ontwerpfase door de opdrachtgever mogelijk niet te voorzien waren. Dit houdt in- aldus de wetgever- dat het bouw- of sloopveiligheidsplan opnieuw bij het bevoegd gezag dient te worden voorgelegd als deze niet meer in overeenstemming is met de sloopmelding, bouwvergunning, of bouwmelding. Het actualiseren van de risicobeoordeling en het veiligheidsplan is ook nodig bij wijzigingen in het bouwplan, de uitvoering en bij ingrijpende veranderingen in de omgeving, zoals een wijziging in de verkeerssituatie. De wetgever heeft tevens aangegeven dat het actueel houden van het bouw- of sloopveiligheidsplan (bouw)veiligheidsplan en de risicobeoordeling daarmee parallel loopt aan het actueel houden van de risico-inventarisatie- en evaluatie (RI&E) en van het veiligheids- en gezondheidsplan (V&G-plan) en het veiligheids- en gezondheidsdossier volgens artikel 2.28 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Het bijzondere aan het actueel houden van het bouw- of sloopveiligheidsplan in de uitvoeringsfase is dat de wetgever dit belegt bij de veiligheidscoördinator directe omgeving van de hoofdaannemer. Dit is ook het geval bij het V&G-plan uitvoeringsfase van het Arbeidsomstandighedenbesluit, dit wordt namelijk belegd bij de V&G-coördinator uitvoeringsfase. Daarnaast bepaalt de wetgever dat het (bouw)veiligheidsplan op de bouwplaats aanwezig moet zijn en indien dit geactualiseerd wordt, wederom voorgelegd dient te worden aan het bevoegd gezag. Dit laatste is een additionele stap, die gezet wordt door de uitvoerende partij, ten aanzien waarvan in tegenstelling tot het V&G-plan uitvoeringsfase wederom een goedkeuring van het bevoegd gezag benodigd is.


9.1 Begrip “directe omgeving”
Het begrip ‘directe omgeving’ wordt door de wetgever geïntroduceerd in artikel 7.2 sub a Bbl. In artikel 7.15 eerste lid, onder a jo. b Bbl heeft de wetgever dit begrip nader uitgewerkt. Dit, door te bepalen dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden maatregelen getroffen worden ter voorkoming van letsel aan personen in de directe omgeving van het bouw- en sloopterrein en ter voorkoming van gevaar voor de veiligheid van belendingen. In artikel 7.15 lid 2 Bbl staat dat bij een bouw- en sloopplaats van een te bouwen of te slopen gebouw een veiligheidsafstand vrijgehouden wordt die bepaald is volgens paragraaf 6.2 van de Landelijke richtlijn Bouw- en sloopveiligheid.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever naast het hanteren van de veiligheidsafstand uit de Landelijke Richtlijn bepaald heeft dat de manier waarop in de praktijk invulling wordt gegeven aan dit artikel, afhankelijk is van de locatie en de aanwezigheid van bebouwing en mensen in de omgeving. Dit biedt de benodigde ruimte voor maatwerk en legt de eerste verantwoordelijkheid neer bij diegene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren.
Maar wie is degene die de werkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren? Is dat de opdrachtgever of de hoofdaannemer?


10. Degene die het project uitvoert is…
Een veiligheidscoördinator directe omgeving wordt aangesteld indien bij de omgevingsvergunningaanvraag voor bouw- of sloopactiviteiten dit uit de beoordeling van de risicomatrix blijkt, of deze door de gemeente bij zulk één aanvraag verplicht gesteld wordt.
De omgevingsvergunning voor bouw- of sloopactiviteiten betreft een zaaksgebonden vergunning. Dat wil zeggen dat de vergunning gebonden is aan de zaak waarop-, in of aan gewerkt zal worden. In artikel 5.37 Omgevingswet (normadressaat omgevingsvergunning) is bepaald dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die de activiteit of activiteiten verricht waarop zij betrekking heeft. De vergunninghouder draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften.
De vraag is: wie is de vergunninghouder? Is dat de uitvoerende partij die deze vergunning nodig heeft om voor haar opdrachtgever bouw- of sloopactiviteiten te verrichten of is dat de opdrachtgever zelf, die de eigenaar of beheerder is van het object waarop-, aan of in deze bouw-of sloopactiviteiten uitgevoerd worden?
In de memorie van toelichting van het huidige artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) heeft de wetgever bepaald dat de «vergunninghouder» niet degene is aan wie de vergunning ooit is verleend, maar dat het degene is die het project uitvoert waarop de vergunning betrekking heeft. Met “degene die het project uitvoert” wordt bedoeld degene die voor die uitvoering verantwoordelijk is, dus de eigenaar of opdrachtgever. Die moet de vergunningvoorschriften naleven of ervoor zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd.”22 Deze uitleg wordt tevens gevolgd door de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State.23 Het huidige artikel 2.25 Wabo is in de Omgevingswet opgegaan in artikel 5.37.24 Dit houdt in dat de uitleg wat betreffende degene die het project uitvoert overgaat in de nieuwe wet. Het vorenstaande houdt in dat opdrachtgevers in hun organisatie van bouw- en sloopprojecten een doeltreffende borging moeten vinden om effectief te kunnen optreden in het belang van de veiligheid in de directe omgeving.  Ze zijn,  namelijk “degene die…,” ondanks het feit dat het project feitelijk uitgevoerd wordt door een aannemer.


11. Conclusie
Het incident in Alphen aan de Rijn was ten aanzien van de omgevingsveiligheid een blikopener voor zowel het bedrijfsleven als de wetgever. Maar het was aan de wetgever om te handelen, aangezien er behoefte was aan wetgeving die een nieuwe waarborg voor de veiligheid van de omgeving in de bouw kon bieden. Daarom heeft de wetgever bij het Bbl de veiligheidscoördinator directe omgeving geïntroduceerd. In het Bbl heeft de wetgever helder uiteengezet wie de veiligheidscoördinator directe omgeving moet aanstellen, wanneer dit dient te gebeuren en over welke opleiding deze functionaris dient te beschikken. Met betrekking tot de bevoegdheden is bepaald dat als de veiligheidscoördinator directe omgeving zijn taak niet kan uitvoeren, omdat zijn instructies niet door het eigen personeel, onderaannemers/nevenaannemer of derden worden opgevolgd, de opdrachtgever/hoofdaannemer dan dient in te grijpen en zo nodig de bouw/sloop dient stil te leggen totdat de veiligheid weer gegarandeerd kan worden.
Voor het bevoegd gezag is er een wettelijke mogelijkheid gecreëerd om de aanstelling van deze functionaris bij vergunningvoorschrift te kunnen verplichten. De wetgever heeft tevens een duidelijke link tussen de veiligheidscoördinator directe omgeving en de V&G-coördinator van het Arbeidsomstandighedenbesluit gelegd. Daarnaast heeft de wetgever gezorgd voor integratie van het bouw- of sloopveiligheidsplan en het V&G-plan ontwerp- en uitvoeringsfase ten aanzien van de ontwerp- en uitvoeringsfase van een project.
De wetgever heeft het actueel houden van het bouw- of sloopveiligheidsplan en de aanwezigheid ervan verankerd in het Bbl, evenals de definitie van “directe omgeving”. Voor de opdrachtgever en opdrachtnemer is er via de rechtspraak duidelijkheid gecreëerd ten aanzien van de vraag wie de persoon is die het project uitvoert.
De Omgevingswet treedt, naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2023 in werking. De praktijk zal uitwijzen of de wetgever met de introductie van de veiligheidscoördinator directe omgeving in de Omgevingswet erin geslaagd is om een nieuwe waarborg voor de veiligheid van de omgeving van de bouwplaats te bewerkstelligen.



1 https://www.onderzoeksraad.nl/nl/page/4008/hijsongeval
2 De coördinator krijgt de naam «veiligheidscoördinator directe omgeving». Het begrip «omgevingsveiligheid» kon niet worden gebruikt, omdat dat begrip reeds een andere juridische betekenis heeft op grond van de Omgevingswet.
3 Kamerstukken II 2017/18, 28 325, nr. 177.
4 Stb. 2021, 147, p. 39.
5 Stb. 2021, 147, p. 37: “…de veiligheid en gezondheidscoördinator (V&G-coördinator) uit het Arbeidsomstandighedenbesluit.”
6 Kamerstukken II 2017/18, 28 325, nr. 177.
7 Stb. 2021, 147, p. 39.
8 Kamerstukken II 2019/2020, 33 118, nr. 143.
9 Stb. 2021, 147, p. 62.
10 Prof. mr. dr. M.A.B. Chao-Duivis, in: Omgevingsveiligheid-en-de-DNR-2011-de-UAV-2012-en-de-UAV-GC-2005, Instituut voor Bouwrecht 2018, p. 15: “…de essentie lijkt evenwel een goede mondelinge toelichting, waarbij gestreefd wordt zekerheid te verkrijgen dat de partij die wordt ingelicht, daadwerkelijk begrijpt wat de inlichting betekent.”
11 Artikel 5 van Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen.
12 Artikel 6 van Richtlijn 92/57/EEG van de Raad van 24 juni 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor tijdelijke en mobiele bouwplaatsen.
13 Stb. 2021, 147, p. 38.
14 Stcr. 2022, 3912, p. 166.
15 Kamerstukken II, 2019/20, 33 118, nr. 150, p. 17.
16 Kamerstukken II, 2019/20, 33 118, nr. 150, p. 18.
17 Stb. 2018, 291, p. 494-495.
18 Stb. 2021, 147, p. 42.
19 Stb. 2021, 147, p. 62.
20 Stb. 2021, 147, p. 63.
21 Stb. 2021, 147, p. 40.
22 Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr. 3.
23 ABRvS 27 mei 2015, nr. 201406744/1/A, r.o. 4.1 (Houtwal Harderwijk).
24 Kamerstukken II 2013/14, 33 962, nr. 3, blz. 506.