De uitspraak van het Hof van Justitie in een zaak tegen farmaceutisch bedrijf Sanofi Pasteur was opmerkelijk. De eiser in deze zaak stelde het bedrijf aansprakelijk, omdat een door hen geproduceerd vaccin tegen hepatitis B de ziekte multiple sclerose (MS) veroorzaakt zou hebben. Het Franse bewijsrecht staat toe om causaliteit en gebrekkigheid vast te stellen op grond van een bewijsvermoeden, als ‘bepaalde feitelijke gegevens […] ernstige, precieze en met elkaar overeenstemmende aanwijzingen vormen’. Het Franse Cour de Cassation stelt prejudiciële vragen: is dat ook in het licht van de Richtlijn productaansprakelijkheid mogelijk? Het hof antwoordde bevestigend (zie Van Doorn & Pape, TvC 2018/2). Dat is opmerkenswaardig, omdat volgens wetenschappelijk onderzoek allerminst vaststaat dat een causaal verband bestaat tussen het vaccin en MS. Sterker nog, recente studies wijzen zo’n verband van de hand (zie voor een overzicht www.cdc.gov). Volgens ons legt het Hof van Justitie de drempel voor het gebruik van het Franse bewijsvermoeden te laag, omdat daardoor een verschil kan ontstaan tussen de wetenschappelijke werkelijkheid en de juridische werkelijkheid.
In het algemeen geldt dat de wetenschap dienend is aan het voornaamste doel van de civiele procedure: het vinden van de materiële waarheid (vgl. Kamerstukken II 2006/07, 30951, 1, p. 8). De rechter kan bijvoorbeeld wetenschappelijke inzichten gebruiken om causaliteit vast te stellen. Zo biedt het deskundigenbericht (art. 194 Rv) de rechter de mogelijkheid zich te laten voorlichten door een deskundige, die ‘specifieke niet-juridische kennis en ervaring [bezit] op een bepaald domein dat van toepassing is op het onderzoek en oplossen van het onderhavige geschil’ (Giard, AA 2018, p. 217). Desondanks hebben rechters de ruimte om af te wijken van wetenschappelijke bewijzen. Rechters hebben immers de vrijheid om zelf feiten vast te stellen en te waarderen (art. 152 lid 2 Rv; zie ook: De Bock, diss. 2011). In de discussie over de zaak Sanofi Pasteur staat de vraag centraal waar de grens van deze vrijheid ligt.
In deze zaak gaat het om het causaal verband tussen een vaccin en het ontstaan van een ziekte. Bewijsvermoedens kunnen helpen om bij een onzekere causaliteit het bewijsrisico bij een andere partij te leggen – meestal de sterkere – zodat de rechter een rechtvaardig oordeel kan vormen. De situatie in de zaak Sanofi Pasteur is echter een andere: hier is niet alleen sprake van een onzekere causaliteit of van een nadelige bewijspositie, maar leiden wetenschappelijke inzichten ertoe dat een causaal verband afgewezen zou moeten worden. In zo’n geval leidt het gebruik van bewijsvermoedens mogelijk tot parallelle werkelijkheden: de wetenschappelijke waarheid wijst een causaal verband tussen het gewraakte vaccin en de ziekte MS van de hand, terwijl de juridische werkelijkheid het causaal verband bevestigt.
Een dergelijke dichotomie tussen wetenschap en het recht zou problematische gevolgen kunnen hebben. Wij nemen aan dat in het geval van Sanofi Pasteur de (in dit geval medische) wetenschap beter geëquipeerd is om een causaal verband aan te nemen dan de rechtspraak. Met andere woorden: de wetenschappelijke waarheid ligt in dit geval waarschijnlijk dichterbij de échte waarheid dan de juridische. Het zou in de eerste plaats eenvoudigweg onrechtvaardig zijn om een bedrijf (of een persoon) aansprakelijk te stellen voor een gevolg dat hij niet daadwerkelijk veroorzaakt heeft. Een bewijsvermoeden dient dan ook beperkt te worden tot gevallen waar wetenschappelijke verdeeldheid en onzekerheid bestaat, en waar die onzekerheid niet voor het risico van de zwakkere partij mag komen.
Daarnaast kan zo’n uitspraak het brede publiek op het verkeerde been zetten. Er is bijvoorbeeld discussie over het al dan niet vaccineren van jonge kinderen, omdat bepaalde vaccins autisme zouden veroorzaken. Dit wordt door wetenschappers hevig bestreden, maar het gerucht blijkt hardnekkig (zie voor de discussie: ‘Waar komt die angst voor vaccins toch vandaan?’, De Volkskrant, 23 augustus 2018; https://rijksvaccinatieprogramma.nl/vaccinaties/twijfels). Uitspraken die niet of onvoldoende ondersteund worden door wetenschappelijke bewijzen kunnen bijdragen aan zulke twijfel, ook al is het voor juristen duidelijk dat er slechts gebruik gemaakt is van bewijsvermoedens om het bewijsrisico op een eerlijke manier te verdelen.
Het Franse Cour de Cassation heeft bij het voortzetten van de zaak gelukkig een wijs besluit genomen. Hoewel het gebruik van bewijsvermoedens in het algemeen is toegestaan, past het hof die in dit geval niet toe (Cour de Cassation 18 oktober 2017, ECLI:FR:CCASS:2017:C101101). Het is te hopen dat andere Europese gerechten dit voorbeeld volgen, zodat de toepassing van bewijsvermoedens niet daadwerkelijk tot parallelle werkelijkheden zal leiden.

Dit redactioneel van Daan van Maurik en Jim van Mourik is verschenen in Ars Aequi november 2018.