Steeds vaker stellen medisch specialisten een diagnose op afstand. Dit wordt aangeduid als tele­diagnostiek en geschiedt door het uitwisselen van patiëntgegevens tussen de patiënt, de huisarts en/of een medisch specialist. Thans vindt vooral uitwisseling van gegevens tussen huisarts en specialist plaats. Het is daarnaast mogelijk dat patiënten zelf bepaalde gegevens verzamelen en aanleveren, bijvoorbeeld door zelf hun bloeddruk te meten. Op 13 juni 2018 bracht het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een rapport uit waarin de voor- en nadelen van telediagnostiek worden besproken (‘Diagnostiek op afstand: randvoorwaarden en belemmeringen’, zie www.rivm.nl). Voordelen van tele­diagnostiek zijn volgens het RIVM onder meer dat de huisarts minder vaak hoeft door te verwijzen en dat medische gegevens direct op de juiste manier worden vastgelegd. Daarnaast noemt het RIVM tijds­besparing en gemak – de patiënt hoeft immers zijn huis niet meer uit. Zijn er ondanks de voordelen echter niet ook beren op de weg?
Het RIVM signaleert wel risico’s, maar meent dat die kunnen worden ondervangen met bijvoorbeeld training en richtlijnen (zie met name tabel 3.3 van het rapport). Een belangrijke consequentie van telediagnostiek, het verminderde persoonlijke contact tussen arts en patiënt, blijft in het rapport echter onderbelicht.
Verminderd persoonlijk contact heeft onvermijdelijk een verschuiving van verantwoordelijkheid voor het stellen van de diagnose tot gevolg. De vraag is: naar wie? Een specialist die zich uitsluitend moet baseren op de gegevens die hij van de huisarts krijgt, is in zijn oordeelsvorming afhankelijk van de kwaliteit en volledigheid van de toegestuurde gegevens. Voor wiens rekening komt het dan als een foutieve diagnose wordt gesteld? En wat te denken van de situatie waarin een patiënt zelf gegevens moet verzamelen en aanleveren? Dit is met name van belang in het licht van de verplichting die de patiënt heeft om de hulpverlener zo goed en volledig mogelijk te informeren (art. 7:452 BW). Als een patiënt gebrekkige gegevens aanlevert op basis waarvan een foutieve diagnose wordt gesteld, kan dit dan later aan de patiënt worden tegengeworpen omdat hij of zij de informatieplicht heeft geschonden?
Dit zijn lastige vragen, en uit het RIVM-rapport blijkt dat bij het gebruik van telediagnostiek het ook voor de geïnterviewde huisartsen niet duidelijk is bij wie de eindverantwoordelijkheid ligt. Dat is problematisch, nu men verwacht dat telediagnostiek in de toekomst breder zal worden ingezet. Zonder duidelijke richtlijnen over de verdeling van verantwoordelijkheid bestaat het risico dat patiënten bij wie iets misgaat straks van het kastje naar de muur worden gestuurd.
Een daarmee samenhangende vraag is wat de invloed van verminderd persoonlijk contact tussen arts en patiënt op eventuele conflicten tussen deze partijen zal zijn. Uit onderzoek is gebleken dat een goed contact tussen patiënt en arts in belangrijke mate bijdraagt aan het voorkomen van escalatie van conflicten tussen deze partijen (zie daarover bijvoorbeeld Y. Alhafaji, B. Frederiks & J. Legemaate, ‘Ervaringen van klagers en aangeklaagde artsen met het tuchtrecht’, TMD 2009, afl. 3). Het valt te verwachten dat bredere inzet van telediagnostiek zal leiden tot een minder persoonlijke arts-patiëntrelatie, wat mogelijk het risico op conflicten verhoogt.
De vraag is hoe de hiervoor beschreven risico’s adequaat kunnen worden ondervangen, zodat de voordelen van telediagnostiek zoveel mogelijk kunnen worden benut. Het RIVM stelt dat ‘heldere richtlijnen’ voor de beroepsgroep moeten worden opgesteld. Het is verstandig om dit te concretiseren: in ieder geval zijn richtlijnen nodig die specifiek gaan over de verdeling van (juridische) verantwoordelijkheid tussen de partijen die betrokken zijn bij het stellen van een telediagnose. Daarvoor is naast medewerking van de medische beroepsgroep ook medewerking van juristen vereist, die kunnen onderzoeken hoe telediagnostiek kan worden ingepast in de geldende juridische kaders. Bovendien is het raadzaam om te kijken naar nieuwe manieren waarop de arts-patiëntrelatie kan worden verstevigd wanneer van persoonlijk contact steeds minder sprake is. Als het een en ander zorgvuldig wordt geadresseerd, kan telediagnostiek zowel door artsen als door patiënten met een gerust – en hopelijk gezond – hart worden omarmd.

 

Dit redactioneel van Shosha Wiznitzer & Esther Nauta is verschenen in Ars Aequi oktober 2018.