Met de wellicht wat cryptische naam van dit Bijzonder Nummer doelt de redactie op een ontwikkeling die in de laatste jaren in een stroomversnelling is beland: de opkomst van alternatieven voor individuele eigendom. Geheel nieuw is het fenomeen niet. Huur van zaken als alternatief voor het in eigendom verkrijgen daarvan is per slot van rekening al zo oud als de weg naar Kralingen. De komst van het informatietijdperk gaat echter gepaard met ontwikkeling van nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen, die het ‘klassieke’ model van de vrijemarkteconomie – producenten produceren goederen, die door consumenten worden gekocht en vervolgens blijvend tot hun beschikking staan – op zijn kop zetten.

In de toegangseconomie (access economy) bieden bedrijven hun product niet meer te koop aan tegen een eenmalige betaling, maar bieden ze de consument een recht op toegang tot het product aan tegen periodieke betaling. De producent is daarbij een soort permanente poortwachter van het product, die kan bepalen of, voor hoe lang en onder welke voorwaarden de consument daar gebruik van kan maken. In zoverre is het toegangsmodel sterk top-down vormgegeven. De deeleconomie (sharing economy) daarentegen is als bottom-up te typeren. Kenmerkend daarvoor is dat particulieren – vaak door tussenkomst van een bemiddelend internetplatform – hun ongebruikte zaken tijdelijk aan andere particulieren ter beschikking stellen, bij wijze van vriendendienst of tegen betaling. Ook dergelijke platforms kunnen voor de gebruikers een alternatief vormen voor het in eigendom verwerven van bepaalde gebruiksvoorwerpen.

Men zou kortweg kunnen spreken van een ‘verdienstiging’ van de economie: waar de consument voorheen een goed kocht, neemt hij nu steeds vaker een dienst af. De voorbeelden zijn talrijk. Veel eigendomsalternatieven zijn ontwikkeld in het kielzog van de voortschrijdende digitalisering. Cd’s en dvd’s hebben plaatsgemaakt voor Spotify en Netflix. Bestanden zetten we dikwijls niet meer op een fysieke drager waar we de feitelijke macht over kunnen uitoefenen, maar in de cloud. Steeds meer softwarefabrikanten bieden hun software niet meer als eenmalige aanschaf aan, maar stappen in plaats daarvan over op software-as-a-service. Ook buiten de digitale sfeer kan de consument kiezen uit een gestaag groeiend aanbod aan eigendomsalternatieven. Nu leasing de zakelijke automarkt heeft veroverd, wordt ook private lease steeds populairder – als men nog een auto voor zichzelf koopt, tenminste, want wie weinig achter het stuur zit voelt misschien meer voor een leenauto van een carsharing-platform. De moderne fietser hoeft geen tweedehandsje meer te kopen, want hij kan een Swapfietsabonnement afsluiten. En als het gras gemaaid moet worden, leent de zuinige consument via een deelplatform als Peerby de maaier van een andere particulier.

Het ligt in de lijn der verwachting dat zich op meer plaatsen een dergelijke verschuiving van ownership naar access of sharing gaat voordoen. Kopen we straks geen lampen meer en betalen we in plaats daarvan een maandelijks bedrag voor een lichtservice om onze (huur)woningen te verlichten? De vraag klinkt vreemder dan hij is: Philips’ leenlampen verlichten reeds de terminals van Schiphol. De luchthaven betaalt een maandelijks bedrag voor het licht dat ze afneemt (‘Philips verhuurt licht aan Schiphol’, RTL Nieuws 16 april 2015).

Zonder twijfel kent de opkomst van deelplatforms en toegangsgerichte bedrijfsmodellen voordelen. Voor de consument biedt het stuff-as-a-service-concept flexibiliteit en gemak: men betaalt alleen voor een gebruiksvoorwerp wanneer men het nodig heeft en hoeft zich niet om het onderhoud daarvan te bekommeren. Het media-aanbod van streamingdiensten als Netflix en Spotify is intussen groter dan de cd- of dvd-collectie die een gemiddelde consument in zijn leven kan vergaren. Bovendien kent een betere benutting van de gebruiksvoorwerpen die we produceren macro-economische voor­delen. Als een consument bijvoorbeeld een auto koopt, staat deze gedurende het overgrote deel van de levenscyclus ongebruikt op de oprit. Carsharing-constructies maken een efficiëntere inzet van kapitaal mogelijk. Het milieu kan daar ook bij gebaat zijn, omdat minder gebruiksvoorwerpen geproduceerd hoeven te worden om hetzelfde gebruiksniveau te faciliteren. Daarnaast kan de centralisatie van bijvoorbeeld het onderhoud van gebruiksvoorwerpen schaalvoordelen opleveren. Een bedrijf dat duizend leenfietsen beheert, kan immers voordeliger materiaal en arbeid inkopen dan duizend individuele fietseigenaars.

De keerzijde is echter een verzwakking van de rechtspositie van de consument, die in deze nieuwe economie niet langer eigenaar is van de producten die hij gebruikt. Zijn ijzersterke goederenrechtelijke positie – eigendom is immers het meest omvattende recht (art. 5:1 BW) – wordt verruild voor een duurzame, verbintenisrechtelijke (afhankelijkheids)relatie met de aanbieder. Vanuit de machtspositie die de aanbieder inneemt, kan hij de voorwaarden van de dienstverlening eenzijdig opleggen. En wat zijn de gevolgen voor de consument, indien de aanbieder besluit zijn dienstverlening te staken of in staat van faillissement komt te verkeren? Ook buiten de sfeer van consumentenbescherming roepen de deel- en toegangseconomie vragen op. Welbekend zijn de problemen die menig grote stad ondervindt door de verhuur van woningen op platforms als Airbnb. Hoe krijgt de overheid greep op een fenomeen als de deeleconomie, dat zich kenmerkt door een sterke mate van decentralisatie en een veelheid aan kleine aanbieders? Ook de opkomst van een nieuw soort digitale vermogensobjecten, gefundeerd op nieuwe technologieën als blockchain, roept vragen op. Hoe moeten bitcoins en andere cryptovaluta in goederenrechtelijke zin worden geduid? Is de strafrechtelijke bescherming tegen inbreuken op eigendomsalternatieven en digitale vermogensobjecten toereikend? Op vragen als deze en andere kwesties die samenhangen met de deel- en toegangseconomie, gaan de auteurs van dit Bijzonder Nummer in.

Rutger Claassen en Yara al Salman bijten het spits af. Zij onderzoeken de opkomst van de toegangseconomie vanuit een filosofisch perspectief en schetsen een kader aan de hand waarvan burgers en beleidsmakers de betekenis van de keuze tussen ownership en access kunnen evalueren. Zij betogen voorts dat een vorm van collectieve regulering wenselijk is, indien het toegangsmodel te dominant wordt.

Emil Verheul bespreekt de positie van de gebruiker die zijn bestanden heeft toevertrouwd aan een cloudopslagdienst zoals Dropbox, in het geval de aanbieder van die dienst failliet gaat. Kan een goederenrechtelijke kwalificatie van data in dergelijke gevallen meerwaarde bieden, zodat de gebruiker zijn data, gelijk de eigenaar van een zaak, eenvoudigweg kan revindiceren?

Evert Neppelenbroek & Noreen Sturris beantwoorden de vraag of de vermogensrechtelijke positie van de toegangsgerechtigde muziek­luisteraar vergelijkbaar is met die van een eigenaar. Zij onderzoeken Spotify en iTunes. Volgens hen moet niet langer gesproken worden van exemplaren en kopieën, maar van gebruiksrechten, al dan niet met goederenrechtelijke werking.

Valérie Tweehuysen behandelt de goederenrechtelijke aspecten van de bitcoin. Zij bepleit dat de bitcoin als absoluut vermogensrecht beschouwd moet worden, omdat de categorie zaken voor stoffelijke objecten voorbehouden is.

Nora Streep beantwoordt de vraag of crowd­ownership, het delen van eigendom, de toekomst is en of onze wetgeving hierop ingericht is. Zij bespreekt daarbij initiatieven als Peerby, Snappcar en Blandlord.

Victor de Serière houdt de Wet giraal effectenverkeer (Wge) tegen het licht en bespreekt of modernisering ervan wenselijk is. De Wge bepaalt dat effectenhouders deelgenoten zijn van een gemeenschap waarin de effecten zijn ondergebracht, en dat zij niet langer toebehoren aan de beleggers zelf. Hij roept op om een commissie in het leven te roepen om de wenselijkheid van een structurele herziening te onderzoeken.

Jeroen ten Voorde beziet met behulp van welke strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht in het digitale domein gepleegde vermogenscriminaliteit kan worden bestraft en welke rechtsbelangen daarmee worden beschermd. Hij signaleert enkele theoretische en praktische nadelen van de rechtsbelangen die digitale en niet-digitale vermogensdelicten beschermen.

Martijn Schippers schetst de uitdagingen die de deeleconomie met zich brengt voor het heffen van btw. Meer specifiek gaat hij in op de verschillen in de fiscale behandeling van gedrukte boeken op papier, boeken op een andere fysieke drager en e-books. Ook bespreekt Schippers de verschillen tussen ‘traditionele betaling’ en betaling in cryptovaluta.

Sofia Ranchordás behandelt de publiekrechtelijke gevolgen van de deeleconomie. Online platforms kennen hun eigen wijze van het organiseren van vertrouwen, zoals reviews. De vergunning lijkt daarom aan kracht te verliezen. Ranchordás onderzoekt in haar bijdrage of de vergunning ‘dood’ is. Ze concludeert van niet: volgens haar groeien overheid en deeleconomie naar elkaar toe en leren zij van elkaar.

Vanessa Mak sluit de hekken met een aggre­gerende bijdrage, waarin zij de rekening opmaakt. Is toegang de nieuwe eigendom?

Wij danken alle auteurs voor hun fraaie bijdragen.

Namens de redactie
Pjotr Broere, Jeroen Lemmen, Jim van Mourik, Lucas Noyon, Jouke Tegelaar, Koen van Vught, Belle Vulto & Pim Wissink

 

0718_omslagproduct

 

 

Dit voorwoord is verschenen in Ars Aequi juli-augustus 2018.