Eind vorig jaar bracht het College voor de Rechten van de Mens zijn jaarlijkse rapport uit over de naleving van het VN Gehandicaptenverdrag in Nederland. Het rapport is kritisch over de naleving van artikel 12 van het Gehandicaptenverdrag door Nederland. Dit artikel bepaalt kortweg dat mensen met een handicap voor de wet gelijk zijn aan niet-gehandicapten en daarom in beginsel als volledig handelingsbekwaam moeten worden beschouwd. Op verdragsstaten rust een verplichting om gehandicapten zoveel mogelijk te ondersteunen bij de uitoefening van hun handelingsbekwaamheid. Mocht beperking van de handelingsbekwaamheid toch nodig zijn door middel van een beschermingsmaatregel (in Nederland: curatele, bewind of mentorschap), dan dient de maatregel omkleed te zijn met passende en doeltreffende waarborgen om lichtvaardig of onnodig ingrijpen in de autonomie van de betrokkene te voorkomen. Volgens het VN-rapport komt het in Nederland echter voor dat beschermingsmaatregelen worden opgelegd zonder gegronde reden, hetgeen in strijd is met artikel 12 Gehandicaptenverdrag.

De definitie die het Gehandicaptenverdrag geeft aan handelingsbekwaamheid is breder dan het Nederlandse juridische spraakgebruik. In Nederland duidt dit begrip namelijk op het zelfstandig kunnen verrichten van onaantastbare rechtshandelingen, terwijl handelingsbekwaamheid volgens het Gehandicaptenverdrag daarnaast nog de beschikkingsbevoegdheid, het beheer over het vermogen en de beslissingsbevoegdheid in aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard omvat. De drie hiervoor genoemde beschermingsmaatregelen die het Nederlandse recht kent, worden derhalve allemaal door artikel 12 bestreken. Deze maatregelen worden uitgesproken door de kantonrechter, die steeds rekening moet houden met de geestelijke en lichamelijke toestand van de betrokkene. Curatele kan worden uitgesproken als sprake is van een geestesstoornis, verkwisting, of een gewoonte van drankmisbruik (art. 1:378 BW). Voor bewind en mentorschap luidt het criterium dat de meerderjarige ten gevolge van diens geestelijke of lichamelijke toestand niet in staat is zijn vermogensrechtelijke respectievelijk niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen (art. 1:431 BW en art. 1:450 BW). Omdat een beschermingsmaatregel inbreuk maakt op de autonomie, dient zij slechts als ultimum remedium te worden toegepast.

Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het in de praktijk voorkomt dat de kantonrechter een beschermingsmaatregel oplegt terwijl dit met het oog op de toestand van de betrokkene niet noodzakelijk is. Dat komt doordat sommige zorginstellingen en banken een beschermingsmaatregel als voorwaarde stellen voor het verlenen van zorg of diensten (VN-rapport, p. 33). Zo werd in 2015 een echtpaar onder bewind gesteld ‘teneinde het verlenen van zorg niet te frustreren‘ (ECLI:NL:RBOBR:2015:1997). Het echtpaar had hun dochter reeds een volledige volmacht verleend om namens hen te handelen, waarmee de behartiging van hun belangen voldoende was gewaarborgd. Toch wilde het zorgkantoor pas een persoonsgebonden budget verstrekken als de ouders onder bewind stonden. De onderbewindstelling vond in dit geval dus enkel en alleen plaats om de eis van het zorgkantoor in te willigen.

De kantonrechter gaat echter niet altijd mee in de eisen van (zorg)instanties. In 2016 weigerde een kantonrechter een mentorschap in te stellen ten behoeve van iemand die een persoonsgebonden budget wilde ontvangen (ECLI:NL:RBZWB:2016:6374). Over de betreffende persoon was eerder een onderbewindstelling uitgesproken, mede omdat de Sociale Verzekeringsbank dat als voorwaarde had gesteld voor beschikbaarstelling van het persoonsgebonden budget (pgb). Het zorgkantoor dat het pgb vervolgens zou uitbetalen vereiste echter een mentorschap. Nu reeds van bewind sprake was en er geen redenen waren om een mentorschap in te stellen, werd het verzoek door de kantonrechter afgewezen – met het risico dat de rechthebbende zijn pgb niet zou ontvangen.

Deze twee voorbeelden illustreren het dilemma waarvoor de kantonrechter in dit soort zaken wordt geplaatst: aan de ene kant is inperking van de autonomie niet noodzakelijk, terwijl aan de andere kant een hulpbehoevende zorg of toegang tot andere belangrijke diensten dreigt mis te lopen indien de rechter geen beschermingsmaat­regel oplegt. De rechter komt zo onder druk te staan om op oneigenlijke gronden een beschermingsmaatregel uit te spreken waardoor de hulpbehoevende onnodig in zijn autonomie wordt aangetast.

Op welke schaal deze praktijk plaatsvindt, is niet eenvoudig te achterhalen. Het moge echter duidelijk zijn dat het op deze manier feitelijk afdwingen van overbodige beschermingsmaatregelen indruist tegen artikel 12 Gehandicaptenverdrag en het idee van de beschermingsmaatregel als ultimum remedium. Dat lijkt ons geen wenselijke situatie. De (zorg)instanties die dergelijke maatregelen als voorwaarde stellen voor hun dienstverlening zouden er daarom goed aan doen hun beleid te heroverwegen. De overheid moet hier een vinger aan de pols houden en, zo nodig, maatregelen nemen om hulpbehoevenden te beschermen tegen onnodige inperking van hun vrijheden.

 

0518_omslagproduct

 

Dit redactioneel van Shosha Wiznitzer & Pim Wissink is verschenen in Ars Aequi mei 2018.