Al geruime tijd lijken de arbeidsverhoudingen binnen de Europese Octrooi Organisatie (EOO) ernstig verstoord. Anonieme werknemers spreken over een schrikbewind, waarin intimidatie, torenhoge werkdruk en verregaande interne tuchtmaatregelen aan de orde van de dag zijn (A. Stoffelen, ‘Baas van Europese Octrooiorganisatie voert schrikbewind’, de Volkskrant 21 maart 2015). Op 17 februari jongstleden stelde het Gerechtshof Den Haag vast dat de EOO op onrechtmatige wijze het recht op staken en het recht op vakbondsvorming en communicatie heeft beperkt. Zo werd de Vakbondsunie van het Europese Octrooibureau (VEOB) niet toegelaten tot collectieve onderhandelingen en werden de e-mails van de VEOB geblokkeerd. Bovendien wees het hof het beroep op immuniteit van de EOO van de hand (ECLI:NL:GHDHA:2015:255).

De overwinning was van korte duur. Door het aanzeggen van de gerechtsdeurwaarder voorkwam de minister van Justitie de betekening van het arrest en de daarin vervatte executiemaatregelen. De minister heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 3a lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet. De ambtshandeling moet dan in strijd zijn met een volkenrechtelijke verplichting van de Staat. Nederland zou in casu de plicht hebben om de Rijswijkse vestiging van de EOO immuniteit te garanderen. Dit gegeven reduceert bij voorbaat elke zorgvuldige belangenafweging of rechtelijke uitspraak tot irrelevante exercities. De grove schendingen van fundamentele rechten die bij de EOO hebben plaatsgevonden, moeten het klaarblijkelijk afleggen tegen het almachtige beginsel van immuniteit. Staan internationale organisaties als de EOO daarmee boven de wet?

De EOO geniet immuniteit van zowel jurisdictie als executie (art. 3 lid 1 Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de EOO). Het is gebruikelijk voor zetellanden om internationale organisaties immuniteit te verlenen. Immuniteit wordt gezien als een voorwaarde voor het (onafhankelijk) functioneren. Ook het gerechtshof bevestigt dat in het geval van de EOO immuniteit een legitiem doel dient. Maar waar de voorzieningenrechter eerder op grond van dit argument de vorderingen van de VEOB afwijst (ECLI:NL:RBDHA:2014:420), doorbreekt het Hof de verleende immuniteit. Het Hof betrekt daarbij de uitgangspunten van het EHRM-arrest Waite and Kennedy t. Duitsland (EHRM 18 februari 1999, 26083/94). Appellanten in deze zaak waren werknemers die betoogden dat hun recht op toegang tot een rechter (art. 6 EVRM) was geschonden door de Europese Ruimtevaartorganisatie immuniteit te verlenen inzake een arbeidsconflict. Het EHRM oordeelde dat immuniteit enkel doorbroken kan worden wanneer toepassing van immuniteit gezien de omstandigheden niet proportioneel is. In andere woorden, de internationale organisatie moet zorgdragen voor het bestaan van een redelijke alternatieve rechtsgang.

Niet in geschil is dat er voor individuele werknemers van de EOO een interne beroepsprocedure openstaat. Deze procedure maakt herziening van een besluit door drie actoren mogelijk, namelijk achtereenvolgens de president van de EOO, de Internal Appeals Committee, en eventueel de International Labour Organisation Administrative Tribunal. Echter, de VEOB kan in haar hoedanigheid van vakbondsunie niet van de procedure gebruikmaken. Ter verdediging brengt de EOO de zaak Mothers of Srebrenica t. Nederland naar voren (EHRM 11 juni 2013, 65542/12). Daarin bepaalde het EHRM namelijk dat de immuniteit van de Verenigde Naties niet automatisch doorbroken wordt door het ontbreken van een alternatieve procedure. Terecht wijst het Hof vervolgens op het feit dat de EOO niet met de VN kan worden vergeleken (de VN beschikt immers over unieke bevoegdheden inzake internationale veiligheid) en op het disproportionele karakter van de beperking die artikel 6 EVRM volledig uitholt.

Met deze uitspraak is vast komen te staan dat ook internationale organisaties als de EOO niet boven de wet staan. Het is daarom teleurstellend dat de minister van Justitie de EOO-president Benoît Battistelli op stel en sprong in zijn wensen tegemoet is gekomen. De aanzienlijke bijdrage aan de Nederlandse economie door de EOO en Nederland zijn reputatie als gastland voor internationale organisaties spelen in die beslissing waarschijnlijk een grote rol. De VEOB staat machteloos, terwijl het nog maar de vraag is in hoeverre immuniteit voor arbeidsconflicten noodzakelijk is om het uitoefenen van officiële taken niet in gevaar te brengen. Immuniteit is geen vrijbrief voor willekeur, intimidatie en beperkingen op fundamentele rechten; met immuniteit komt verantwoordelijkheid. Wanneer een internationale organisatie die verantwoordelijkheid niet langer aankan, dan verschuift die verantwoordelijkheid naar het zetelland. Het hof had dit reeds begrepen.

Dit redactioneel van Charlotte de Kluiver & Lisanne van Langen is verschenen in Ars Aequi oktober 2015.