Op 24 november 2014 besliste een grand jury dat politieagent Darren Wilson niet vervolgd diende te worden voor het doodschieten van de ongewapende Michael Brown. Op 3 december klonk een gelijkl­uidend geluid in New York toen een grand jury aldaar besloot agent Daniel Pantaleo niet te vervolgen voor het doden van Eric Garner die, net als Brown, geen vuurwapen droeg. Deze incidenten leidden tot het aan de kaak stellen van de bestaande regelgeving omtrent (excessief) geweldgebruik door politieagenten in de VS.

In de Verenigde Staten stellen wetgevers op staatsniveau deze regels vast. De regels worden vervolgens ingekleurd door beslissingen van het Hooggerechtshof. Uit deze beslissingen zijn twee algemene omstandigheden af te leiden waarin het gebruik van dodelijk geweld door een politieagent is te rechtvaardigen: (i) indien zijn of andermans leven in gevaar is of (ii) indien sprake is van een vluchtende verdachte die een aanzienlijke bedreiging vormt voor de agent of anderen en dit geweld noodzakelijk is om deze verdachte een halt toe te roepen. Beide omstandigheden worden beheerst door een overkoepelend vereiste van objectieve redelijkheid. Of het gebruik van geweld voldoet aan dit vereiste, wordt bepaald vanuit het perspectief van een ‘reasonable officer on the scene’.

Incidenten met excessief politiegeweld zijn helaas niet alleen een Amerikaans fenomeen; zij steken ook in eigen land de kop op. Het meest recente voorbeeld daarvan is de dood van de zeventienjarige Rishi Chandrikasing, die in 2012 door een politieagent werd doodgeschoten op station Den Haag Hollands Spoor. Ook Rishi bleek uiteindelijk geen vuurwapen op zak te hebben. De agent werd vervolgd, maar werd deels vrijgesproken en deels ontslagen van alle rechtsvervolging (ECLI:NL:RBDHA:2013:18257). De rechter overwoog dat de agent ervan uit mocht gaan dat Rishi vuurwapengevaarlijk was en dat hij handelde binnen de grenzen van zijn bevoegdheid.

Deze bevoegdheid is geregeld in de Politiewet en verschillende (ambts)instructies (zie ook Jeroen ten Voorde, ‘Politieel vuurwapengeweld in rechte beoordeeld’, AA 2014, p. 346, AA20140346). Indien politieel vuurwapengebruik plaatsvindt, verricht de Rijksrecherche hiernaar onderzoek. De hoofdofficier van justitie beslist uiteindelijk, in samenspraak met een Adviescommissie, of tot vervolging van de agent wordt overgegaan. Toch laat de effectiviteit van deze uitgebreide regelgeving te wensen over. De Nationale ombudsman gaf recentelijk te kennen dat de nadruk intern te veel ligt op de eventuele strafbaarheid van het geweldgebruik (Rapport Verantwoord politiegeweld, 2 juni 2013). Daardoor blijft de vraag naar de pro­fessionaliteit van het toegepaste geweld vaak onbeantwoord. Tevens zou de politieleiding te snel achter de eigen mensen gaan staan en klachten en aangiften onvoldoende serieus nemen.

Ondanks dit alles worden agenten in Nederland steeds vaker veroordeeld. In de periode 1978 tot en met 2012, waarin gemiddeld 16 gewonden vielen door politiekogels, veroordeelde de rechter slechts 10 agenten, terwijl de laatste twee jaar al 5 agenten zijn veroordeeld. Daar moet bij gezegd worden dat in 2014 een recordaantal van 33 mensen slachtoffer werd van politieel vuurwapengebruik. Toch laat deze stijging zien dat sprake is van een kentering in de houding tegenover geweldgebruik door politieagenten, aldus politiewetenschapper Jaap Timmer (www.gelderlander.nl/algemeen/binnenland/schietende-agent-vaker-veroordeeld-1.4720220). In Amerika is zo’n stijgende lijn in veroordelingen nog niet te ­ontdekken. Dit valt mede te verklaren door de jurysamenstelling. Waar in de negentiende eeuw, althans in het noordoosten en middenwesten van de Verenigde Staten, juryleden uit dezelfde gemeenschap afkomstig waren als het slachtoffer en de dader, vindt medio twintigste eeuw een ontwikkeling in tegenovergestelde richting plaats: blanke jury’s, uit een ander sociaaleconomisch stratum, beoordelen zaken betreffende Afro-Amerikaanse beschuldigden. Dit heeft tot gevolg dat de ratio achter het jurysysteem, dat buitenstaanders niet de mogelijkheid hebben beschuldigden te veroordelen, onderuit wordt gehaald. Hierdoor ontstaat een systeem waarin de ene groep is overgeleverd aan de andere (zie M. van der Woude, ‘The Collapse of American Criminal Justice – W.J. Stuntz’, AA 2014, p. 75, AA20140073).

De situaties in beide landen laten goed zien dat het bestaan van uitgebreide regelgeving niet direct leidt tot een gevoel van rechtvaardigheid onder burgers. Bovengenoemde voorbeelden van Rishi, Eric en ­Michael illustreren dat. Bij het vinden van de zwakke plekken in het systeem is de publieke opinie misschien niet doorslaggevend, maar wel van groot belang is. Reflectie op de effectiviteit van de regelgeving is nuttig, nu excessief geweld een laatste redmiddel is voor de politie. Hoewel deze discussie in beide landen van een andere aard is, is het van belang dat deze gevoerd wordt.

Dit redactioneel van Koen Bovend’Eerdt & Leon Trapman is verschenen in Ars Aequi mei 2015