Tsjakka! De uitspraak over de gevoelsleeftijd van Emile Ratelband kwam precies toen wij bezig waren met het beantwoorden van een vraag over onze column van vorige maand.1 Daarin noemden wij de refutation by logical analogy als een type tegenargumentatie. De vraag was: wat houdt dit type tegenargumentatie in? Laten wij er wat preciezer naar kijken. Kort gezegd bestrijd je een argumentatie met een refutation by logical analogy door een argumentatie aan te vallen met een vergelijkbare argumentatie die evident niet klopt. Neem het volgende voorbeeld uit ‘A Mad Tea-party’ in Alice in Wonderland:

“Then you should say what you mean,” the March Hare went on. “I do,” Alice hastily replied; “at least — at least I mean what I say — that’s the same thing, you know.” “Not the same thing a bit!” said the Hatter. “Why, you might just as well say that ‘I see what I eat’ is the same thing as ‘I eat what I see’!”

Of neem het volgende meer juridische voorbeeld: geval A lijkt op geval B, geval B lijkt op geval C, dus geval A lijkt op geval C. O ja? Dus als ik houd van mijn vrouw en zij houdt van de buurman, houd ik dan van de buurman?!

Angst voor deze (geslaagde of minder geslaagde) refutation by analogy geldt als een species van de ruimere categorie angst voor mogelijke gevolgen van een analogieredenering. Deze angst kan worden beschouwd als een van de mogelijke verklaringen voor de analogiefobie, die wij in eerdere columns bespraken.2 Indien de rechter bang is voor de (potentiële) onaanvaardbare gevolgen van een analogieredenering, kan dat een reden zijn om af te zien van zo’n redenering.

Die onaanvaardbare gevolgen van de analogieredenering stonden centraal in de uitspraak over de gevoelsleeftijd van Emile Ratelband. Ratelband (69) vroeg de rechtbank om zijn geboortedatum aan te passen aan zijn gevoelsleeftijd (49). Omdat wet noch jurisprudentie grond bieden voor een toewijzing van dit verzoek, bracht de raadsman van Ratelband analogieredeneringen naar voren ter onderbouwing.

De raadsman verzocht de rechtbank de wettelijke regelingen die er bestaan voor naamswijziging (artikel 1:4 en 1:7 BW) en geslachtswijziging (artikel 1:28 en verder BW) analogisch toe te passen op de gewenste aanpassing van de geboortedatum van zijn cliënt. Argumentatie: naam, geslacht en leeftijd maken deel uit van iemands identiteit. En als naam en geslacht kunnen worden gewijzigd, zou dat ook voor leeftijd moeten kunnen. A fortiori zelfs volgens de raadsman, want wijziging van leeftijd is minder ingrijpend dan wijziging van geslacht en als het meerdere is toegestaan, mag het mindere ook.

Helaas. De rechtbank ziet naast overeenkomsten toch doorslaggevende verschillen. Volgens de rechtbank speelt er bij leeftijd meer dan alleen identiteit. Er zijn ook rechten en plichten met leeftijd verbonden: kiesrecht, het recht om te trouwen, alcohol te drinken en auto te rijden, de leerplicht en de verplichte keuring voor het rijbewijs bij een bepaalde leeftijd…. Met die leeftijden is steeds een bepaalde ratio van de wet verbonden. Wanneer men die leeftijden ‘fictief’ maakt, aldus de rechtbank, heeft dat allerlei onaanvaardbare gevolgen. Deze argumentatie werkt de rechtbank uit met als hoogtepunt de volgende passage:

`De rechtbank merkt hierbij nog op dat toewijzing van het verzoek zou meebrengen dat de twintig jaren waarin verzoeker wel heeft geleefd zouden verdwijnen in de registers. Dit zou allerlei juridische problemen opleveren. Bijvoorbeeld wat zou er moeten gebeuren met diploma’s die in die periode zijn behaald, of het rijbewijs, een eventueel huwelijk dat in die tijd is gesloten of een kind dat is geboren.’

Dit is voer voor nieuwe refutations by logical analogy! Positivo Ratelband is dan ook blij met de uitspraak. Hij ziet goede aanknopingspunten voor hoger beroep. Wij hopen dat het hof Ratelband een beetje opbeurt bij een nieuwe afwijzing. Bijvoorbeeld met een obiter dictum: ‘Ten overvloede overweegt het hof dat appellant troost zou kunnen vinden bij het klassieke adagium van Willy Alberti: wat geeft het of je ouder wordt.’ 

1 ECLI:NL:RBGEL:2018:5102

2De aanduiding ‘analogiefobie’ is afkomstig van H.C.F. Schoordijk. Zie H.T.M. Kloosterhuis (1997). Lijdt de Hoge Raad der Nederlanden nog steeds aan een analogiefobie? In E.T. Feteris, H. Kloosterhuis, H.J. Plug & J.A. Pontier (Eds.), Op goede gronden (pp. 115-122). Nijmegen: Ars Aequi Libri.

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com