De Juridische Argumentatiekliniek is momenteel bezig met een onderzoek naar de oorzaken van de analogiefobie, dat wil zeggen de overmatige angst voor de analogieredenering.1 Deze fobie komt voort uit een aantal drogredenen. In deze column bespreken we de eerste drogreden: de gedachte dat analogie-argumentatie ‘eigenlijk’ niet bestaat en op een dieper niveau gereduceerd kan worden tot argumentatie op basis van meer algemene regels of rechtsbeginselen. Deze gedachte wordt ook wel de reducibility thesis genoemd.

Deze these, vooral courant onder rechtsfilosofen, is op het eerste gezicht natuurlijk al gek. Hoe kun je nu beweren dat iets wat we gebruiken niet bestaat? Maar rechtsfilosofen kunnen alles: dingen zien die niemand ziet en dingen ontkennen die iedereen ziet. Hoe gaat dat? Laten we maar eens kijken naar een simpel voorbeeld.

Een juridische analogie-argumentatie wordt gebruikt wanneer een juridisch standpunt wordt onderbouwd door te verwijzen naar (een norm voor) vergelijkbare gevallen. Enkele jaren geleden waren er mannelijke postbodes die tijdens warme zomerdagen een korte broek wilden dragen. De werkgever verbood dat. De simpele argumentatie van de postbodes werd samengevat in de volgende vraag: ‘Waarom mogen vrouwelijke postbodes wel een broekrok dragen en wij geen korte broek?’ Aristoteles heeft dit type argumentatie al beschreven als een voorbeeld van een enthymeem – een incomplete analogieredenering met impliciete premissen die iedereen meteen begrijpt als de volgende argumentatie:

Standpunt: Wij mogen een korte broek dragen.
Argumentatie:
1 Vrouwen mogen een broekrok dragen.
2 Mannen en vrouwen, korte broeken en broekrokken zijn op relevante punten vergelijkbaar.
3 Gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld.

Hierop valt natuurlijk van alles af te dingen, maar volgens de common sense definitie van logische geldigheid is er niets mis met de geldigheid van deze redenering: wie de premissen accepteert, kan de conclusie niet ontkennen. Waar komt de reducibility thesis nu op neer? Volgens deze these heeft de analogieredenering wel betekenis bij het zoeken naar argumenten, maar nooit bij het rechtvaardigen van een standpunt. Die rechtvaardiging ontleent de argumentatie aan onderliggende generalisaties – in het recht: de rechtsbeginselen. In wezen bestaat er dus geen analogieredenering. Deze reductionistische en essentialistische gedachtegang leidt tot gekke consequenties. Laten we maar eens naar ons postbodevoorbeeld kijken.

In het voorbeeld van de postbodes proberen de werknemers hun werkgever te overtuigen door te wijzen op een gebondenheid die volgt uit een bestaand geval – vrouwen die broekrokken dragen – samen met de aangenomen relevante vergelijkbaarheid en de gebondenheid aan het gelijkheidsbeginsel. Volgens degenen die beweren dat de analogieredenering geen legitimatie verschaft, houdt de argumentatie echter hier niet op. Want de vervolgvraag is hier waarom er sprake is van relevante vergelijkbaarheid. En als je die vraag beantwoordt, kom je uit op een onderliggende generalisatie. Iets als: alle postbodes mogen met deels ontblote benen lopen. Wat overblijft, is dus een eenvoudige deductieve redenering! De simpele kritische vraag is hier: maar waarom gebruiken die postbodes die premisse dan niet om hun werkgever te overtuigen? En het simpele antwoord is: omdat die premisse er nog niet was of niet werd erkend als gemeenschappelijk uitgangspunt in een discussie.

Deze verwarring is helemaal niet nodig wanneer men de analogieredenering analyseert volgens de aloude inzichten van Aristoteles. Volgens deze inzichten moet men de analogieredenering niet analyseren als een abstracte deductieve redenering met zekere premissen en een zekere conclusie, maar als een vorm van plausibele argumentatie.

Bij Aristoteles vindt men het uitgangspunt dat rationaliteit context-afhankelijk is en dat men op bepaalde terreinen van wetenschap niet verder kan komen dan plausibele uitspraken. Deductie is dus geen noodzakelijke voorwaarde voor rationaliteit en onderliggende generalisaties (zoals rechtsbeginselen) kennen of erkennen wij soms nog niet. En deze inzichten leiden bij Aristoteles niet tot scepticisme, een aandoening die men ook vandaag de dag nog waarneemt bij teleurgestelden die ontdekt hebben dat er in het recht soms geen zekerheden bestaan en dat de logica daar niets aan kan veranderen.

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com

1De aanduiding ‘analogiefobie’ is afkomstig van H.C.F. Schoordijk. Zie H.T.M. Kloosterhuis (1997), ‘Lijdt de Hoge Raad der Nederlanden nog steeds aan een analogiefobie?’ In E.T. Feteris, H. Kloosterhuis, H.J. Plug & J.A. Pontier (Eds.), Op goede gronden (pp. 115-122). Nijmegen: Ars Aequi Libri.