Te vroeg moesten wij afscheid nemen van onze collega Wibo van Rossum — jurist, rechtssocioloog en rechtsantropoloog aan de Erasmus School of Law. Te laat kwam ik er achter dat Wibo en ik een gemeenschappelijke held hadden. Wij deelden veel inzichten, dat wist ik. Inzichten over de rechtswetenschap, over haar beantwoordbare vragen en over haar onbeantwoordbare vragen (en de antwoorden daarop). Maar dat Wibo het werk van Frits Staal had bestudeerd, dat wist ik niet. Wibo gebruikte de inzichten van Staal over rituelen voor zijn dissertatie Verschijnen voor de rechter. Hoe het hoort en het ritueel van Turkse verdachten in de rechtszaal (1998). De studie laat zien dat wij sommige gedragingen van Turkse verdachten in de rechtszaal pas goed kunnen begrijpen, als wij kennis hebben van hun rituele gebruiken.

Frits Staal was voor mij de filosoof die je moest lezen als je aan de UvA colleges logica en taalfilosofie volgde. Staal, die zich keerde tegen de afdeling duisterheid en drogredenen in de filosofie, die ons leerde dat er geen tegenstelling bestaat tussen westerse en oosterse analytische tradities en die rituelen onderzocht op dezelfde formele manier als Chomsky dat deed bij de analyse van de universele grammatica.

Over rituelen had Staal een duidelijke opvatting. ‘Waarom is het zo moeilijk gebleken zin, doel en bedoeling van het ritueel te definiëren?’, vraagt hij zich af in ‘De zinloosheid van het ritueel’.[1] Er is volgens hem een eenvoudige hypothese die dit kan verklaren: omdat het ritueel geen zin, doel of bedoeling heeft. Taalkundig geformuleerd: rituelen hebben wel een syntaxis, maar geen semantiek:

‘Stellen dat het ritueel omwille van zichzelf bestaat betekent stellen dat het zonder zin, functie, bedoeling of doel is, met andere woorden dat bedoeling of doel van het ritueel het ritueel zelf zijn. Hieruit volgt niet dat het geen waarde zou hebben, maar dat het een waarde heeft die intrinsiek is.’ (p. 304)

Rituelen mogen dan geen semantiek hebben, je moet het gebruik ervan wel op de juiste manier interpreteren. In Verschijnen voor de rechter wordt in glashelder en levendig Nederlands getoond dat een verkeerd interpretatiekader kan leiden tot verkeerde conclusies over het gedrag van Turkse verdachten in de rechtszaal. Dit inzicht wordt uitgewerkt aan de hand van verschillende gevalsbeschrijvingen. Zo zou het gedrag de Turkse verdachte die gedurende de hele zitting voorovergebogen zit en de rechter niet aankijkt foutief kunnen worden geïnterpreteerd als onbeleefd of als weigering een fatsoenlijk gesprek te voeren. De juiste interpretatie is de interpretatie als rituele handeling. Buigen is het rituele teken om respect voor de rechters te tonen, zoals het bekende gebruik om op te staan als de rechters de rechtszaal binnenkomen, een rituele respectbetuiging is. Kenmerkend voor de rituele handeling is dat de regels tellen en niet het resultaat. Bij veel andere handelingen is dat andersom. En bij de rituele handeling is het belangrijkste dat je precies volgens de regels handelt, niet wat je denkt, gelooft of zegt.

Volgens Verschijnen voor de rechter is deze interpretatie van het gedrag van verdachten als rituele handeling geen aanvulling op bestaande benaderingen, die uitgaan van een cultureel of sociaal-psychologisch interpretatiekader: het is een totaal andere manier van kijken waardoor je de feiten anders waarneemt. Zelfverzekerd staat er in de conclusie van de studie over deze Gestalt-switch:

‘Het onderzoek laat zien dat er een interpretatiekader nodig is dat zich er juist voor in de plaats stelt. Door de perspectiefwisseling die nodig is om de respectbetuigingen op de juiste manier te lezen, mag bovendien verondersteld worden dat ze onderdeel zijn van een gedragscode die in zijn geheel als een rituele code moet worden getypeerd.’ (p. 183-184)

Een verkeerd kader kan dus leiden tot verkeerde interpretaties van rituele handelingen van verdachten in de rechtszaal. Een analyse die zich leent voor generalisering en vervolgonderzoek. Volgens een lange traditie, die teruggaat tot Aristoteles, richten we ons bij het bestuderen van drogredenen op verbale handelingen die de redelijke oplossing van een verschil van mening belemmeren. In de studie Verschijnen voor de rechter leren we hoe verkeerde interpretaties van non-verbale rituele handelingen ook kunnen leiden tot verkeerde conclusies in een proces dat gericht is op de oplossing van een geschil.

[1] Frits Staal, Over zin en onzin in filosofie, religie en wetenschap. Amsterdam, Meulenhoff, 1986.