Wie in 2018 op www.rechtspraak.nl heeft kennisgenomen van de wekelijkse productie van de Hoge Raad, zal niet zijn ontgaan dat er flink wat arbeidsrechtelijke zaken aan de civiele kamer zijn voorgelegd. Met de natte vinger tel ik over het afgelopen jaar zo’n veertig uitspraken. En de stroom is nog niet opgedroogd: er liggen minstens twintig arbeidszaken op de plank. Dat was tot voor kort wel anders: in de eerste jaren van mijn raadsheerschap was er op dit vlak aanzienlijk minder te doen. Wat is hier aan de hand?

De belangrijkste oorzaak van de instroom van arbeidszaken is de inwerkingtreding – op 1 juli 2015 – van de Wet werk en zekerheid (Wwz). Nieuw recht roept nieuwe vragen op, en voor de Wwz is dat niet anders. De Hoge Raad is er om op zulke vragen antwoord te geven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste Wwz-zaken met een ‘vertraging’ van twee tot drie jaar – de tijd die was gemoeid met de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep – de Hoge Raad hebben bereikt.

Arbeidsrecht raakt een groot deel van de bevolking. Op macroniveau zijn Wwz-zaken dus per definitie zaken die – om voor de laatste keer die vreselijke uitdrukking te gebruiken – ‘ertoe doen’. Het is dan ook toe te juichen dat de Hoge Raad in een vroeg stadium wordt betrokken bij de uitleg van het nieuwe arbeidsrecht. Dat gebeurt door reguliere cassatieprocedures, ingesteld door werkgevers en werknemers, en langs de weg van prejudiciële vragen van kantonrechters en gerechtshoven.

In pre-Wwz ontslagzaken werd veel geschikt. Zo’n hoge schikkingsgraad is een groot goed, zowel op macro-economisch niveau als voor individuele werkgevers en werknemers. Om die hoge schikkingsgraad ook onder de Wwz te bereiken, moeten juristen aan werkgevers- en werknemerszijde fatsoenlijk kunnen voorspellen tot welk resultaat een gang naar de rechter zou leiden. Rechtszekerheid, voorspelbaarheid en modelmatigheid zijn hier van belang. De Hoge Raad probeert hieraan bij te dragen door niet casuïstisch recht te spreken, maar door tamelijk uitvoerige uitspraken te doen, waarin het nodige wordt ‘vooropgesteld’, ‘opmerking verdient’ of ‘ten overvloede wordt overwogen’. Langs die weg wordt hopelijk in een vroeg stadium duidelijkheid gecreëerd over de uitleg van de Wwz.

Alles koek en ei, dus? Was dat maar waar. Niet zelden blijkt de Wwz echte breinbrekers op te leveren en lukt het de Hoge Raad niet om alle puzzelstukjes goed te leggen. Dat beeld kennen wij trouwens al van een eerdere wetgevingsoperatie op dit terrein, de Wet flexibiliteit en zekerheid uit 1998. Ook dat is niet verwonderlijk. Het begint al bij de uitgangspunten: ‘werk’ en ‘zekerheid’ respectievelijk ‘flexibiliteit’ en ‘zekerheid’. Wie probeert dergelijke idealen met elkaar te verzoenen, zoekt naar de kwadratuur van de cirkel. Werk biedt maar in beperkte mate zekerheid, juist omdat er zoiets als ontslagrecht bestaat, en een flexibel arbeidsrecht staat per definitie niet in de sleutel van zekerheid voor werknemers.

Die eeuwige spanning tussen ‘strikt’ en ‘soepel’ is ook terug te vinden in diverse bepalingen van het ontslagrecht. Zoals de parlementaire geschiedenis van de Wwz laat zien, is dikwijls geprobeerd om een hanteerbaar en voorspelbaar stelsel van gedetailleerde regels te creëren én om tegemoet te komen aan de wens om voor schrijnende gevallen ruimte voor een uitzondering open te houden. Het ontbreekt er nog maar aan dat ook de uitzonderingsregel zelf is voorzien van gedetailleerde toepassingsvoorwaarden.

En of ontslagrecht niet al moeilijk genoeg is, is de Wwz in een noodgang door het parlement geloodst. Vanuit politiek oogpunt valt dat te begrijpen: regeringscoalities en bewindslieden willen een eenmaal bereikt compromis in ‘hun’ periode verzilveren en met het wetgevingsproduct kunnen scoren. Maar voor de kwaliteit van de wetgeving is grote haast funest, zoals in het geval van de Wwz helaas weer eens is gebleken.

Kortom, voor de Hoge Raad is er genoeg werk aan de winkel, ook in 2019. Aan de slag dus.

Deze column is verschenen in Ars Aequi januari 2019.