Wetgeving kan mooi zijn. Een auteur als Stendhal vond in de Code Napoléon dagelijks inspiratie voor zijn Le rouge et le noir. Doctrine kan beklijven. De Discours préliminaire van Portalis blijft al ruim twee eeuwen boeien. Maar er is één rechtsbron die qua boeiendheid boven de andere uitsteekt. Rechtspraak laat op het scherp van de snede de twee zijden van een geschil zien. De nu volgende casus heb ik in een column als deze al eens eerder gebruikt, maar het is zo’n mooie kwestie dat het geen kwaad kan deze nog eens te belichten. Een koopman komt te weten dat op het eiland Rhodos hongersnood heerst. Hij laadt in zijn woonplaats Alexandrië gauw een schip vol graan en zet koers naar het eiland. Op Rhodos kan hij het graan tegen woekerprijzen aan de man brengen. Waarschijnlijk zouden de Rhodianen wat minder geld voor het graan betalen, als zij ervan op de hoogte waren dat twee dagen na de koopman van Alexandrië een hele vloot aan schepen beladen met graan koers naar Rhodos heeft gezet. De vraag die Cicero, in 44 v. Chr. bedenker van deze casus (De Officiis 3.12.50), ons voorlegt is deze: is de koopman gehouden deze informatie door te spelen aan de inwoners van Rhodos? Let wel: Cicero zag dit niet als een juridische kwestie, maar als een ethische zaak. Zijn eigen antwoord is gegoten in de vorm van een tweestrijd. Andere bekende auteurs die zich over de koopman van Rhodos hebben uitgesproken zijn Thomas van Aquino, Augustinus, Hugo de Groot, Coornhert en Barlaeus. We kunnen dit nalezen in het opstel ‘Pre-contractual duties to inform in Early modern scholasticism’, Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis (78) 2010, p. 89-133. De laatste jurist die zich over de casus heeft uitgelaten, is Richard Posner. Is dat niet Posner, de rechtseconoom? Dat klopt. En deze Posner heeft ook een rechtseconomische oplossing voorhanden. Alleen indien kooplieden in gevallen als deze winst kunnen maken, zullen zij zich de moeite getroosten te onderzoeken waar ter wereld honger wordt geleden. En alleen dan zal de honger uit de wereld verdwijnen.

Deze column is verschenen in Ars Aequi januari 2019.