Het verhaal is denk ik wel bekend: een koper koopt op een veiling een schilderij van de kunstenaar Banksy, dat zichzelf meteen daarna gedeeltelijk vernietigt met behulp van een ingebouwde papier­versnipperaar. Leuk vraagje voor juristen: is de koper dan aan de koop gebonden? Het kan afhangen van de veilingvoorwaarden, maar in beginsel is de zaak pas voor risico van de koper vanaf de aflevering (art. 7:10 BW) en dus is het tot die tijd het risico van de verkoper dat er iets met de zaak gebeurt. Je kunt je trouwens ook afvragen of de koper niet gewoon een schilderij mét papierversnipperaar heeft gekocht en het een kwestie is van dwaling. Dan zou hij het recht hebben de koopovereenkomst te vernietigen (al dan niet met dezelfde papierversnipperaar).
Dit soort actuele gebeurtenissen zijn natuurlijk dankbare voorbeelden voor een docent. Maar als student vroeg ik me dan altijd af: wat heb ik eraan om dit te weten? Ik kan mij niet voorstellen dat ik als rechter of advocaat ooit zo’n zaak op mijn bureau krijg. En zelfs in dit ene geval is er geen probleem, want de koper wilde helemaal niet van de koop af. Hij wilde het half in strookjes uit de lijst hangende schilderij juist maar wát graag voor de afgesproken prijs afnemen, nu het schilderij door de wereldwijde bekendheid van het voorval alleen maar meer waard zal zijn geworden.
Zuinige houding van mij als student natuurlijk, want waarom zou je niet gewoon eens college willen hebben over iets wat leuk en interessant is, hoewel je er verder niets aan hebt? Toch probeer ik als docent altijd uit te leggen dat je er wél iets aan hebt. Kopers op een veiling kopen namelijk heel vaak ‘een Banksy’. Probeer je maar eens te verplaatsen in de eigenaar van een huis dat wordt geveild. Zijn (!) huis wordt verkocht aan de hoogste bieder, het geld gaat naar zijn schuldeisers, en hij dient zijn biezen te pakken. Wat zou jij dan doen? Precies! En dat doet de eigenaar dus ook heel vaak: hij pakt niet alleen zijn biezen, maar hij breekt ook de keuken, de badkamer en de vloer eruit en neemt alles mee. Kopers op een veiling kópen dus heel vaak een pand met alles erop en eraan, maar krijgen uiteindelijk een gestript pand geleverd. Moeten zij dat afnemen?
De veilingvoorwaarden bepalen meestal dat het pand tussen veiling en levering al ‘voor risico van de koper’ is. De koper moet dan gewoon de gehele koopprijs betalen en het er maar mee doen. Omdat dan helemaal niemand meer een fatsoenlijk bod uitbrengt, heeft de wetgever zulke voorwaarden verboden. Bij veiling van woningen geldt sinds 2015 dwingendrechtelijk (dus zonder dat de veilingvoorwaarden dat anders kunnen maken) dat de woning pas voor risico van de koper is vanaf het moment van levering (art. 525 lid 4 Rv). Dat betekent dat de schuldeiser die het huis verkoopt, zich maar moet verzekeren voor deze risico’s. Een brandverzekering zal echter niet nodig zijn, want huizen die geveild worden, staan altijd ‘onder water’.
De praktijk is echter niet voor één gat te vangen. Wat nou dwingend recht? Wat nou ‘in de veilingvoorwaarden kan niet anders worden bedongen’? In artikel 21 van de Algemene Veilingvoorwaarden die bij alle vastgoedveilingen worden gebruikt, staat sinds 2017 dat als het pand vóór de levering beschadigd raakt of geheel of gedeeltelijk verloren gaat, de verkoper (!) het recht heeft de koop te ontbinden. Het moet toch niet gekker worden! Als de vérkoper tekortschiet in zijn verplichtingen, zou de kóper het recht moeten hebben de koop te ontbinden (art. 6:265 BW), maar toch niet de verkoper zelf. Wat mij betreft is deze bepaling regelrecht in strijd met het dwingende recht van artikel 525 lid 4 Rv en dus vernietigbaar (art. 3:40 lid 2 BW).

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi november 2018.