Het valt me de laatste tijd steeds vaker op dat politici zich bemoeien met het recht. Op 18 juli 2018 veroordeelde de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2018:5314) een Afghaanse asielzoeker voor verkrachting. De officier eiste, conform de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), 24 maanden gevangenisstraf. De rechtbank oordeelde dat verkrachting een zeer ernstig misdrijf is waarop slechts een vrijheidsstraf van langere duur past, maar laat ten gunste van verdachte mee­wegen dat het feit inmiddels meer dan twee jaar geleden plaatsvond, verdachte niet eerder is veroordeeld en ook nadien niet meer met justitie in aanraking is geweest, verdachte vanuit een onveilige situatie in Afghanistan naar Nederland is gevlucht, nu zijn leven in Nederland aan het opbouwen is, zijn vrouw op dit moment zwanger is, en dat een erg lange gevangenisstraf tot consequentie zou kunnen hebben dat verdachte wordt uitgezet. Alles overwegende veroordeelt de rechtbank de verdachte tot 20 maanden.
Wát je hier ook van vindt, het is in ieder geval een uitgebreid gemotiveerde afweging van feiten en omstandigheden, door een rechter die het dossier kent en wiens taak het is de strafmaat vast te stellen. Als de veroordeelde het hier niet mee eens is, kan hij in hoger beroep en cassatie, waarin de beoordeling wordt overgedaan door een andere rechter.
In het café wordt zo’n zaak natuurlijk veel minder genuanceerd besproken: daar is geen enkele persoonlijke omstandigheid van een verkrachter een reden om hem ook maar een dag minder te laten brommen. Net als in het café, spraken ook vele Tweede Kamerleden schande van deze uitspraak. Dat een langere gevangenisstraf uitzetting tot gevolg zou kunnen hebben, mag geen reden zijn voor strafvermindering, zo luidde het oordeel. Maar waar bemoeien zij zich mee? Zij kennen de zaak niet, en zij gáán ook niet over de veroordeling en over de strafmaat. En dat is maar goed ook. Politici moeten de gunst van het volk zien te krijgen om gekozen te worden, het volk heeft zijn oordeel over zo’n zaak als deze wel klaar, en politici scoren dus bij hun achterban als zij hier net als het volk schande van spreken. Maar meer dan borrelpraat is het niet. Het is maar goed dat de rechter niet hoeft te vrezen voor zijn baan als hij een wat genuanceerder oordeel heeft.
Omdat rechters zich niets gelegen hoeven te laten liggen aan de publieke opinie en politici wel, zouden politici zich nooit met individuele rechtszaken moeten bemoeien. Politici máken het recht, door te debatteren en te beslissen over wetgeving, en rechters passen dat recht toe (trias politica, weet je nog?). Of een rechter dat in een individueel geval naar de smaak van een politicus goed heeft gedaan, doet er niet toe.
Om dezelfde reden zou de wetgeving een juridische beslissing in een individueel geval ook niet moeten overlaten aan een politicus. Zo is het wat mij betreft echt een misser dat het nieuwe Besluit Adviescollege levenslanggestraften de beslissing over gratieverlening aan levenslanggestraften overlaat aan de minister van Justitie en Veiligheid; die minister gaat die gratie natuurlijk niet verlenen, want dat is een impopulair besluit.
Dezelfde systeemfout zagen we bij het kinderpardon voor Howick en Lili. De hoogste rechter (de Raad van State) oordeelde dat de kinderen moesten worden uitgezet. Een impopulair besluit natuurlijk, maar die rechter hoeft zijn oren niet te laten hangen naar de publieke opinie. Vervolgens verleende staatssecretaris Harbers, die inmiddels wegens bedreigingen ondergedoken zat, het veelbesproken kinderpardon. Die staatssecretaris wérd bedreigd omdat hij zo’n pardon kán verlenen, en vervolgens is het in zijn persoonlijke belang en in zijn electorale belang om dat dan maar te doen. Als wij met z’n allen (inclusief ondergetekende) vinden dat een verblijf van tien jaar in Nederland reden genoeg is voor een verblijfsvergunning, dan moeten de politici de wetgeving zo maken dat de rechter die verblijfsvergunning kan verlenen.

 

Deze column is eerder verschenen in Ars Aequi oktober 2018.