Ooit was Latijn onze lingua franca. Geleerden, advocaten, rechters … zij drukten zich in deze toen al archaïsche taal uit. Maar het onderwijs in het Latijn verdween van onze gymnasia en uit de collegezaal en maakte plaats voor Frans en Duits. Ook die talen verdwenen goeddeels uit het onderwijspakket en naast Nederlands bleef alleen Engels over. Niets is blijvend. Wellicht spreken we over vijftig jaar in Europa allemaal Italiaans en elders in de wereld Chinees, maar in deze column gaat het alleen over de naaste toekomst. Wat brengt Brexit op taalgebied voor ons mee? Gaat met het Verenigd Koninkrijk ook het Engels uit Europa verdwijnen? De Franse parlementariër Jean-Luc Mélenchon (La France insoumise) heeft laten weten dat Engels wat hem betreft niet de derde Europese werktaal kan blijven. De Poolse voorzitter van het comité voor constitutionele zaken Danuta Hübner heeft uitgesproken dat Engels als officiële taal reglementair moet verdwijnen. Een poging van de onderhandelaar namens de EU Michel Barnier om de Brexit-onderhandelingen in het Frans te voeren stuitte op een veto van de Britse premier Theresa May.

Hoe is het juridisch met de talen gesteld in Europese regelgeving? In een bijdrage in de ELTE law journal (2016, p. 103-115: ‘What language for Europe’) onderscheidt Réka Somssich in de Europese Unie drie soorten talen: authentieke talen, officiële talen en werktalen. Authentiek zijn de talen waarin een instrument oorspronkelijk is vastgesteld. Zo is de authentieke tekst van het verdrag inzake de Europese gemeenschap voor kolen en staal in de Franse taal gesteld. Over de officiële talen en de werktalen is veel te zeggen. Wat is het verschil precies? Hoe staat het met Iers, Luxemburgs en Maltees en daarnaast Baskisch en Catalaans? Let op: ingevolge artikel 342 VWEU moeten alle Europese beslissingen over talen unaniem worden genomen.

Dit is de theorie. In de praktijk blijkt Engels in veruit de meeste lidstaten de meest gesproken tweede taal, met op afstand Frans en Duits op plaatsen twee en drie en Spaans en Russisch op de vierde en vijfde plaats. Hetzelfde geldt voor rechtsliteratuur en congrestalen. Dat neemt niet weg dat Duitsland en Frankrijk van Brexit gebruik kunnen maken om iets van hun taalkundig verloren terrein terug te winnen. Dat geldt zeker voor de voorbereidende werkzaamheden voor regelgeving in Brussel. In de zeventiger jaren gebeurde dat bij 60% in het Frans, maar in 2008 had Engels al 72% in handen. Bij wege van uitzondering is alleen het Europese Hof van Justitie nog ferm in Franse handen.

Betekent een einde aan het Britse lidmaatschap van de EU ook een einde van het gebruik van de Engelse taal in Brussel? Hoe denken ambtenaren hun onderhandelingen nog te voeren? Wie verbiedt hen om dat in het Engels te doen? Hoe zal de EU zonder Engels deelnemen aan de wereldhandel? Wat gaat er gebeuren met Brussels Engels, ‘Euro-English’? Brexit zal zo beschouwd mogelijk de positie van het Engels als lingua franca niet of nauwelijks deren.

Ten slotte: hoe zal het de rechtspraak van het Europese hof vergaan: de zaak van de erven van Christina Kik die per se in het Nederlands wilde procederen (C-361/01)? En de afwijzing uit kosten­overwegingen van Italiaans en Spaans in octrooizaken (C-274/11 en C-295/11)? Let op mijn woorden: de Engelse taal zijn we in Europa nog lang niet kwijt.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi septembernummer 2018.