Vorige maand mocht ik in het Concertgebouw in Amsterdam een cursus geven over ‘Muziek en recht’. Was nog niet zo makkelijk. Want hebben muziek en recht dan iets met elkaar te maken? Misschien toch wel iets, want er lijken relatief veel mensen te zijn die een mateloze interesse hebben in zowel muziek als recht. Zo zijn er beroemde componisten die ook rechten hebben gestudeerd, zoals Schumann, Tsjaikovski en Stravinsky. En er zijn juristen die ook aan het conservatorium hebben gestudeerd, zoals de huidige president van de Hoge Raad (die ook optrad tijdens de cursus). Hoe komt het dat muziek en recht zich goed in één persoon laten verenigen? Er zijn natuurlijk flauwe overeenkomsten, zoals dat je voor allebei noten moet lezen. Maar volgens mij zijn er ook wel serieuzere raakvlakken.

In de eerste plaats heb je zowel in het recht als in de muziek vaak te maken met een ‘partituur’. De musicus voert een door hemzelf of een ander geschreven werk uit. Hoewel het hetzelfde stuk is, maakt het toch verschil wie het uitvoert. Bij zang zou dit nog kunnen komen door de stem, maar ook bij instrumentale werken kan er veel verschil zijn in uitvoering. Twee musici kunnen hetzelfde stuk op hetzelfde instrument heel verschillend spelen, terwijl ze toch dezelfde noten spelen. Een orkest kan met dezelfde musici zelfs heel anders klinken met een andere dirigent ervoor. Er zijn ook wel musici die hetzelfde stuk meerdere keren en in totaal verschillende uitvoeringen op de plaat zetten, zoals Glenn Gould (luister maar eens naar zijn uitvoeringen van Bachs Goldbergvariaties uit 1955 en 1981) en Krystian Zimerman (die pianoconcerten van Chopin, Brahms en Lutosławski twee keer opnam).

Dit verschillend interpreteren van dezelfde tekst is ook core business voor juristen. Denk alleen al aan het enkele feit dat er hoger beroep en cassatie bestaat en dat rechters daarin verschillend kunnen oordelen over dezelfde zaak. Dat is logisch als het gaat om bijvoorbeeld het bepalen van de strafmaat, maar is op het eerste gezicht best gek als het gaat om de toepassing van wetsartikelen of de uitleg van overeenkomsten. Toch is dat eigenlijk waar het pas leuk begint te worden voor advocaten, rechters en andere juristen.

Een tweede overeenkomst tussen muziek en recht is dat zij allebei een ‘natuurlijke grammatica’ hebben. Als ik in een sonate van Mozart een fout maak, zult u horen dat dat ‘vals’ is en niet is wat Mozart heeft bedoeld, zelfs als u het stuk niet kent. Als ik zomaar halverwege ophoud, zult u horen dat dat nog niet het eind is. Maar hoe weet u dat eigenlijk? Wat Mozart heeft geschreven, is kunst, en van een schilderij zeg je toch ook niet dat de kleur niet klopt of dat het nog niet af is? Toch ligt dat voor muziek anders. Alle tonale muziek (klassiek en modern) is gebaseerd op de harmonieleer, waarin 24 toonsoorten bestaan en waarin voor elke toonsoort vaste akkoorden gelden (zoals Bach laat zien in Das Wohltemperierte Klavier). Als niet volgens die regels wordt gespeeld, hoor je dat het niet klopt. Vergelijk het met een schrijver die een taalfout maakt.

Ook dit geldt voor de jurist net zo. Recht is ook kunst (‘ars aequi et boni’). Een jurist kan een overeenkomst ‘Haviltexen’ en vaststellen dat partijen iets anders zullen hebben bedoeld dan wat er op papier staat, omdat een letterlijke lezing niet ‘logisch’ zou zijn. Een jurist kan ook betogen dat een bepaalde toepassing van een wetsartikel niet in ‘het systeem’ past. Hij kan zelfs iets wat niet in de wet staat, als recht aanmerken als het wel in ‘het stelsel’ van de wet past (vergelijk het arrest Quint/Te Poel, HR 30 januari 1959, NJ 1959/548). Noem het dogmatiek, noem het natuurrecht. Of zullen we het vanaf nu ‘Das Wohltemperierte Recht’ noemen?

Deze column is verschenen in het Ars Aequi meinummer 2018.