Frankrijk heeft de laatste jaren een aantal terroristische aanslagen te verwerken gekregen. Dat heeft niet alleen geleid tot een verhoging van de militaire en politionele waakzaamheid, het heeft ook gevolgen voor de rechtsstaat die Frankrijk ooit was en wellicht ten dele nog is. Het begon allemaal met nine/eleven. In de Verenigde Staten vonden in het jaar 2001 op die dag – let op: in Amerika staat 9/11 voor 11 september en niet 9 november – de beruchte aanslagen op het World Trade Center plaats. Dat lieten de Amerikanen niet op zich zitten. Het antwoord van de wetgever was de Patriot Act. Ook in Europa kwam een response op het terrorisme.

‘L’exemple américain a encouragé d’autres pays démocratiques, y compris en Europe, à faire de même: en ce début du XXIe siècle, des pays comme l’Allemagne ou la France ont abandonné peu à peu des garanties qui paraissaient pourtant définitivement acquises. En Allemagne, la Cour de Karlsruhe a ainsi accepté en 2004 la réactivation d’une loi nazie de 1933 sur les internements de sûreté qui n’avait pas été abrogée mais qui était longtemps restée inactive.’

Aan het woord, in Le Monde van 14 oktober 2017, is de invloedrijke juriste Mireille Delmas-Marty van het Collège de France. Zij vervolgt aldus:

‘En France, une loi de 2008 a introduit une rétention de sûreté conçue sur le modèle allemand de 1933. La dérive s’est ensuite accélérée après les attentats de Paris commis en 2015. Il était légitime de proclamer l’état d’urgence mais les prolongations qui ont suivi ne s’imposaient pas. D’autant que, simultanément, la France a adopté plusieurs lois sur la sécurité, dont la loi sur le renseignement de juillet 2015 qui légalise des pratiques restées en marge de la légalité. Cette accumulation n’a pas de précédent dans l’histoire du droit pénal français’.

Dit heeft volgens Delmas-Marty grote gevolgen voor de trias politica:

‘les lois antiterroristes instituent une confusion générale des pouvoirs alors que l’Etat de droit repose, au contraire, sur la séparation des pouvoirs. En matière de terrorisme, la police administrative, qui est traditionellement préventive, devient répressive: le ministre de l’intérieur ou le préfet peuvent ainsi imposer des assignations à résidence qui ressemblent à une peine, le suivi sociojudiciaire. A l’inverse, la justice pénale, qui est traditionellement répressive, devient préventive, puis prédictive, voire divinatoire: en invoquant la notion de dangerosité, on remonte à des intentions qui n’ont aucun commencement d’exécution’.

Denken over de rechtsstaat is geen prerogatief van de Fransen. In Duitsland is er natuurlijk heel veel over geschreven (Jürgen Habermas). In Engeland is er Tom Binghams prachtige The Rule of Law (Penguin 2011, 199 p.). En in eigen land is er Eddy Bauws Utrechtse intreerede Politieke processen. Over de rol van de civiele rechter in de democratische rechtsstaat, Den Haag: Boom juridisch 2017, 53 p.). Bauw bespreekt de relatie tussen de drie staatsmachten en in het bijzonder de uitdijende bevoegdheden van de rechter. Deze uitdijing kreeg haar fundamenten een eeuw terug met het arrest Kieft/Otjens (NJ 1915/98). Een tweede fase in de ontwikkeling in de positie van de civiele rechter zet in met de introductie van de collectieve actie in het privaatrecht. Thans bevinden wij ons in de derde fase. Belangenorganisaties zijn de grenzen van de bevoegdheden van de civiele rechter in collectieve acties verder gaan verkennen. In dit licht is er aanleiding om de verhouding tussen rechter en politiek opnieuw te bezien. De rechter moet actiever optreden. De mogelijkheid van de amicus-curiae-brief, uitbreiding van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad en onderzoek naar macro-effecten zijn enkele van Bauws suggesties.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi maartnummer 2018.