‘Levenslang is echt levenslang’ hoor je wel eens. Dat was ook inderdaad zo, maar dat vindt het EHRM niet goed: de levenslanggestrafte moet uitzicht hebben op een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van zijn straf die ook daadwerkelijk kan leiden tot (voorwaardelijke) invrijheidstelling. Een zékere levenslange gevangenisstraf is inhumaan (art. 3 EVRM). De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de Nederlandse levenslange gevangenisstraf tot voor kort niet aan artikel 3 EVRM voldeed (ECLI:NL:HR:2016:1325), omdat er formeel misschien een mogelijkheid van gratie bestaat, maar er in werkelijkheid nooit meer gratie wordt verleend.

Ter illustratie: de levenslange gevangenisstraf bestaat sinds 1870, toen de doodstraf werd afgeschaft. Het aantal veroordelingen tot levenslang nam in de loop der jaren af, totdat in de jaren zeventig van de twintigste eeuw niemand meer tot levenslang werd veroordeeld. In de jaren daarna nam het aantal weer toe, vooral de afgelopen twee decennia. Tussen 1886 (de invoering van het Wetboek van Strafrecht) en 1969 zijn er 48 mensen tot levenslang veroordeeld. Daarvan zijn er zeven in de cel overleden (waarvan zes binnen acht jaar na hun veroordeling en één na 22 jaar) en is er één ontsnapt. De overige 40 hebben allemaal gratie gekregen, gemiddeld na 15,7 jaar (W.F. van Hattum, Het irrationele van de levenslange straf, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2005, p. 237). Van de 43 ná de jaren zeventig veroordeelden (waarvan 36 de afgelopen twee decennia) heeft tot nu toe niemand gratie gekregen (op één na, wegens terminale ziekte). Uiteraard is dat voor de recent veroordeelden verklaarbaar vanwege het nog geringe tijdsverloop. Feit is echter dat de laatste normale gratie dateert van 1986 en zag op een veroordeling uit 1969. Voor degenen die nu vastzitten, biedt dit geen reëel uitzicht op een mogelijkheid van invrijheidstelling.

De Hoge Raad oordeelde in 2016 dat een levenslange gevangenisstraf, om niet in strijd te zijn met het EVRM, uiterlijk 25 jaar na de veroordeling herbeoordeeld dient te worden. De wetgever heeft inmiddels aan deze ‘oproep’ gehoor gegeven: op 1 maart 2017 is het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (Besluit ACL) in werking getreden. Op grond van dit besluit wordt uiterlijk 25 jaar na aanvang van de detentie een advies uitgebracht door het Adviescollege levenslanggestraften en wordt uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie door de minister van Justitie en Veiligheid beslist over gratieverlening. Op 19 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3185) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat met deze nieuwe regeling de strijdigheid met het EVRM is weggepoetst, maar hij waarschuwt wel dat levenslang ook in het nieuwe stelsel in strijd met artikel 3 EVRM zal kunnen zijn als blijkt dat in de praktijk nooit gratie wordt verleend.

Er zijn drie dingen opvallend aan het Besluit ACL. In de eerste plaats is het eigenwijs van de wetgever dat de herbeoordeling plaatsvindt uiterlijk 27 jaar na aanvang van de detentie, terwijl de Hoge Raad ‘levenslang’ in strijd vindt met het EVRM als geen herbeoordeling plaatsvindt uiterlijk 25 jaar na de veroordeling. Dit betekent dat een veroordeelde die minder dan twee jaar in voorarrest heeft gezeten, nog steeds in strijd met het EVRM is veroordeeld. In de tweede plaats eisen zowel het EHRM als de Hoge Raad dat de veroordeelde reeds op het tijdstip van zijn veroordeling een reëel uitzicht op vrijheid moet hebben. Nu de Hoge Raad reeds heeft geoordeeld dat het oude stelsel dat reële uitzicht niet bood, voldoen alle veroordelingen van vóór 1 maart 2017 dus niet aan dat vereiste. Mijn grootste bezwaar tegen de nieuwe regeling is echter dat de herbeoordeling plaatsvindt door de politiek en niet door de rechterlijke macht. De strafmaattoepassing in individuele gevallen dient niet door een politicus, maar door een rechter plaats te vinden. Een politicus zal zich ervan bewust zijn dat gratieverlening politiek impopulair is, wat geen rol zou moeten spelen in een herbeoordeling.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi februarinummer 2018.