Bovenaan officiële afschriften (‘grossen’) van rechterlijke uitspraken en notariële akten staat sinds 1 september 1891 (toen Wilhelmina koningin werd) een stempel met ‘In naam der Koningin’ en sinds 30 april 2013 (toen Willem-Alexander koning werd) ‘In naam des Konings’. Op 1 juli 2015 is een wetje in werking getreden om deze ‘archaïsche aanhef te wijzigen in een hedendaags equivalent’, aldus de Nota van Toelichting (Stb. 2015, 247). Sindsdien luidt de aanhef ‘In naam van de Koning’ of ‘In naam van de Koningin’.

Eerlijk gezegd vond ik de aanduiding ‘Koning/Koningin’, waartussen moet worden gekozen al naar gelang het staatshoofd een man of een vrouw is, veel ouderwetser dan de genitief ‘der/des’. Alle politici hebben al een functieaanduiding die voor mannen en vrouwen gelijk is, zoals een minister of een kamerlid. Een vrouwelijke staatssecretaris heet geen staatssecretaresse. En als we hopelijk een keer een vrouwelijke minister-president krijgen, heet zij ook geen première, maar gewoon premier. Alleen voor het staatshoofd is dit anders: die moet als man koning heten en als vrouw koningin. Maar als Willem nu liever Wilma wil zijn, of Amalia liever als Amalius door het leven gaat, of als zij helemaal niet voor het blok gezet willen worden om te moeten kiezen of zij als man of als vrouw willen worden aangeduid, wat dan? Veel mensen hebben er al moeite mee om met de ene of de andere aanduiding op een pasje te staan, maar onze eindbaas staat inclusief geslachtsaanduiding op de grosse van elke rechterlijke uitspraak en elke notariële akte.

In het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III is aangekondigd dat artikel 1 van de Grondwet zal worden aangevuld met een verbod op discriminatie wegens seksuele gerichtheid (Vertrouwen in de toekomst, Regeerakkoord 2017-2021, VVD, CDA, D66 en ChristenUnie, 10 oktober 2017, p. 10). De overheid gaat alvast het goede voorbeeld geven door ‘onnodige geslachtsregistratie waar mogelijk te beperken’. Als het niet nodig is om te weten of iemand een man of een vrouw is, of geen van beide, dan hoeft dat ook niet te worden opgegeven. Een niet meer dan logisch beleid in een moderne samenleving: iedereen moet zichzelf kunnen zijn, en niemand moet een keuze worden opgedrongen tussen slechts twee etiketten waarvan er één op het voorhoofd moet worden geplakt voor toegang tot de maatschappij.

Als de ‘archaïsche aanhef’ boven rechterlijke en notariële grossen dan toch modern moet én de overheid zoveel mogelijk genderneutraal gaat werken, waarom dan niet ook een genderneutrale aanduiding van ons staatshoofd? Het is toch raar dat de wet waarin dit voor de onderdanen wordt geregeld, straks door de bovendaan wordt ondertekend en wordt voorafgegaan door het opschrift ‘Wij Willem-Alexander, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.’? Ik stel daarom voor dat in de genderneutraalwet van Rutte III meteen wordt geregeld de functieaanduiding ‘Koning/Koningin (doorhalen wat niet van toepassing is)’ wordt gewijzigd in ‘Staatshoofd’ en dat voortaan boven alle rechterlijke en notariële grossen komt te staan: ‘In naam van het Staatshoofd’. Nog wel een praktisch bezwaar: hebben de rechters en notarissen nét alle stempels en formulieren moeten veranderen van ‘des/der’ in ‘van de’, moeten ze wéér alles nieuw aanschaffen. Da’s waar, maar nu niets doen is het uitstellen van dat probleem tot de volgende troonsopvolging (tenzij Amalia dan als trotse man door het leven gaat). Als we het nu nog één keer veranderen in ‘het Staatshoofd’, zijn we voor altijd klaar. Is nog duurzaam ook.

Wij juristen moeten ook bewuster gaan nadenken over genderneutrale aanduidingen. Dus niet meer de heren ‘mr.’ noemen en de dames ‘mw. mr.’, maar gewoon iedereen ‘mr.’. De aanduiding van rechters bij een gerechtshof en bij de Hoge Raad is al genderneutraal: die heten allemaal (dus ook de dames) ‘raadsheer’. Als het maar voor iedereen gelijk is, moeten we archaïsche aanduidingen koesteren.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi januarinummer 2018.