In de ruim vijftig jaar die ik – tot dusver – aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten als docent verbonden ben, zijn er twee verwante gebeurtenissen geweest die het onderwijs structureel hebben veranderd – en in mijn ogen verbeterd. Dat zijn de internationale studentenuitwisseling in het kader van Erasmus en de europeanisering van de studie. Over die laatste hoop ik een andere keer te schrijven – nu is Erasmus aan de beurt, mede omdat dit programma deze maand dertig jaar bestaat.

De meeste lezers zullen ermee bekend zijn. Erasmus – het European Action Scheme for the Mobility of University Students – voorziet sinds 1987 in internationale uitwisseling van studenten van hoger en universitair onderwijs. Het programma ziet op uitwisseling van studenten met buitenlandse universiteiten gedurende een deel van hun studie. Een student uit Madrid gaat voor een jaar naar Uppsala of vice versa. De elders behaalde studieresultaten worden door de eigen instelling erkend en studenten krijgen een financiële toelage ter compensatie van de hogere kosten van levensonderhoud.

In de jaren tachtig heb ik mij met de organisatie van de eerste uitwisselingsakkoorden beziggehouden. Dat was geen sinecure. Was Utrecht als uitwisselingspartner wel voldoende hoog aangeschreven voor een universiteit met een wereldreputatie als Cambridge? Als een Italiaanse student bij het zien van het cijfer 8 op een Amsterdams examencijfer in snikken uitbarst, omdat hij of zij in Pisa nog nooit lager dan 30 op de schaal van 30 heeft gekregen, hoe dan te reageren? Hoe te antwoorden op de Duitse professor die tegen conversie van studiepunten witheet van woede uitriep: ‘mein Unterricht ist von so unschätzbarer Gewicht, dass es sich nicht in Punkten ausdrücken lässt’. En op een praktischer vlak: wat te doen met je studentenkamer – en de aldaar eveneens woonachtige vriend en poes – als je voor een half jaar naar Istanbul vertrekt? Waar haal je het extra geld vandaan om in Edinburgh te gaan wonen? En hoe zou het onze studenten bevallen om zo’n tijd in het buitenland door te brengen?

Laat ik met de laatste vraag beginnen en vooropstellen dat veruit de meeste ervaringen met Erasmus buitengewoon positief zijn. Een (half) jaar helemaal van huis, dagelijks contact met studenten uit een andere cultuur en een ander taalgebied, een andere kijk op het recht – zie de testimonials over Cambridge: www.iso.admin.cam.ac.uk. Zelfs als niet alles helemaal gladjes verloopt, kan dat een rijke ervaring zijn. Dit vertelde mij ooit een Utrechtse student die een jaar naar Athene was gegaan. Hoe het onderwijs daar was geweest? Maar er was helemaal geen onderwijs in dat jaar! ‘Ik heb toen met mijn Nederlandse ervaring een studentenstaking uitgeroepen, die op een grote overwinning voor ons studenten is uitgelopen’. Onze student had in Griekenland een onuitwisbare levenservaring opgedaan.

Het is natuurlijk niet allemaal rozengeur en maneschijn. In Frankrijk werd de feestvreugde van 30 jaar Erasmus wat verstoord door verschijning van het prijswinnende boek Erasmus ¿bonus malus? (Amazon 2017, € 18) van de Française Marie Lahetjuzan, die in 2009 een jaar in Madrid doorbracht. Achteraf klaagde zij over een gebrek aan begeleiding, vertraging bij de uitkering van studietoelagen en bij conversie van haar Spaanse in Franse studiepunten. Het moet gezegd: de auteur was wellicht wat op het verkeerde been gezet door de idyllische beschrijving van een Erasmus-jaar in de film L’auberge espagnole (2002). Uiteindelijk was zelfs haar ervaring niet louter negatief: ‘Erasmus reste malgré tout une formidable réussite européenne et je souhaite que les jeunes en soient fiers’, laat zij weten in een interview in Le Figaro étudiant van 19 oktober 2017.

De autoriteiten wijzen graag op de aantallen studenten die van het programma gebruik hebben gemaakt – inmiddels meer dan drie miljoen (5% van de totale studentenpopulatie) – en op de baby’s die uit Erasmus-relaties geboren zijn. Zelf houd ik het liever op de bijdrage die de uitwisseling aan het academisch gehalte van de studie heeft geleverd. En aan het eigen studieprogramma, vanwege de noodzaak om in andere talen dan het Nederlands onderwijs te gaan geven.

O ja, hoe we dat met die Italianen hebben opgelost? Natuurlijk niet door hun cijfers naar Italiaans niveau op te hogen – dat zou discriminatie met studenten uit Nederland en andere landen opleveren – maar door hen van een keurige Italiaanstalige toelichting te voorzien, waarin wordt uitgelegd hoe het Nederlandse puntenstelsel werkt en hoe vaak het voorkomt dat iemand een 8 of hoger krijgt.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi januarinummer 2018.