‘Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie’

In zijn Nexus-lezing van 23 september jl. brak de Amerikaanse Supreme Court-rechter Stephen Breyer een lans voor de Rule of Law. Geen gekke gedachte nu de idealen van recht en rationele geschiloplossing niet meer zo vanzelfsprekend lijken. De columns in deze rubriek gingen de afgelopen maanden over drogredenen in juridische argumentatie. Die drogredenen bestaan natuurlijk alleen maar bij of krachtens idealen van rationele geschiloplossing. Zonder die idealen zijn er geen normen en zonder normen geen drogredenen. Ja, er zijn sceptici die deze idealen en normen in twijfel trekken. Zij beweren bijvoorbeeld dat een rechterlijke beslissing een machtswoord is of louter een ‘irrationele sprong’. Of nog erger: ze trekken rationaliteit zelf in twijfel. ‘Wat is eigenlijk je argumentatie voor rationaliteit?’, vragen zij diepzinnig. Een malle vraag natuurlijk, want ieder antwoord veronderstelt rationaliteit.

Ondanks die twijfel, staat het ideaal van rationele geschiloplossing in het recht nog steeds overeind. Tal van juridische normen belichamen dat ideaal: wie stelt moet bewijzen, hoor en wederhoor en de plicht om te reageren op argumenten van de wederpartij en beslissingen te motiveren. Jeremy Waldron noemt het de derde, procedurele, dimensie van de Rule of Law – naast de formele dimensie (gelding en gelijke toepassing van kenbaar recht) en de substantiële (waarborg van fundamentele rechten). Dit procedurele ideaal houdt niet in dat een juridische discussie in alle opzichten open is. Die discussie is begrensd, bijvoorbeeld doordat de rechter op een gegeven moment een knoop moet doorhakken. Die begrenzing dient natuurlijk ook weer juridische idealen: het recht moet zijn loop hebben, het liefst tijdig, en een rechterlijke beslissing is finaal en heeft gezag van gewijsde. En: niet alle geschillen kunnen aan een rechter worden voorgelegd. Want alles is eindig, ook het recht.

Dat is allemaal theorie. Hoe zit het met de praktijk van juridische argumentatie? Worden de discussienormen vaak expliciet toegepast? Jazeker! Je hoeft maar een blik te werpen op de rechtspraak en je ziet de voorbeelden. Neem het motiveringsvereiste. Volgens de Hoge Raad houden de (grond)wettelijke motiveringseisen in

‘dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.’ (HR 4 juni 1993, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis)

Wanneer een rechterlijke motivering niet aan deze norm voldoet, kan de Hoge Raad nogal streng reageren. De uitspraak wordt dan vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Een motiveringsgebrek wordt bijvoorbeeld vastgesteld wanneer ‘de motivering naar de inhoud onbegrijpelijk is’. Volgens de Hoge Raad is dat het geval bij tegenstrijdigheden of wanneer de redenering van de rechter inconcludent is. De redenering is inconcludent als de beslissing niet volgt uit de gronden die de rechter aanvoert, lacunes bevat of op verschillende manieren kan worden uitgelegd.

Een goede motivering is een noodzakelijke voorwaarde voor rechterlijk gezag. Maar dat is niet genoeg. De idealen van de rationele geschiloplossing moeten ook gedragen worden in de samenleving. Breyer verwoordt dat mooi in een interview naar aanleiding van zijn Nexus-lezing (NRC-Handelsblad, 15 september jl.). Het gezag van de rechter is broos, zegt hij, want de rechtsstaat is broos. ‘Als je het vertrouwen verwoest in instituties, dan heb je niets meer over. Alles is gebaseerd op kennis, afspraken.’ Maar het werkt wonderwel, ook bij hele moeilijke zaken en aanvechtbare beslissingen. Tot die ontdekking kwam Breyer in de zaak Bush versus Gore uit 2000. Het Supreme Court nam toen een beslissing over de omstreden uitslag van de presidentsverkiezingen. Veel Amerikanen waren het inhoudelijk oneens met de uitspraak, maar accepteerden de gelding. Het vertrouwen in de rechtsstaat was groter dan Breyer had gedacht. Toen ik dit las, moest ik denken aan de woorden van John F. Kennedy uit 1962: ‘Americans are free to disagree with the law but not to disobey it’.

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com

Deze column is verschenen in het Ars Aequi novembernummer 2017.