‘Denkfouten en drogredenen in juridische argumentatie’

Deze zomer herlas ik In de naam van de roos van Umberto Eco. Een leuk boek voor juristen, ook omdat het een speelse inleiding is in (forensisch) redeneren en onderzoeken: ga je uit van de Geopenbaarde Waarheden in de Boeken of kijk je naar de feiten en denk je zelf? In het jaar 1327 lost de monnik William van Baskerville samen met zijn leerling Adson een aantal misdaden op. William leert Adson kritisch denken. Nadat ze twee doden hebben gevonden met zwarte vingers, vermoedelijk afkomstig van een giftige stof, formuleert Adson de volgende redenering: ‘Als je deze stof hebt aangeraakt, zijn je vingers zwart. De vingers van deze doden zijn zwart, dus zij hebben deze stof aangeraakt.’ ‘Fout!’, zegt William, ‘we hebben alleen maar een redelijke hypothese!’

Waarom is de redenering van Adson fout volgens William? Omdat je in dit geval uit de uitspraken ‘als p dan q’ en ‘q’ niet met zekerheid ‘p’ kunt afleiden. De vingers kunnen immers ook door iets anders zwart zijn geworden. Vanuit een deductief perspectief is er dan sprake van de drogreden bevestiging van het consequens. Deze drogreden komt regelmatig voor in juridische argumentatie. Soms wordt ze in verband gebracht met de causale ‘post hoc ergo propter hoc’-drogreden (erna, dus erdoor) of met de prosecutor’s fallacy, zoals in het volgende voorbeeld: als X de dader is, zullen DNA-sporen overeenkomen met zijn DNA-profiel. Maar overeenkomsten impliceren niet dat X de dader is. De sporen kunnen ook van een ander zijn.

Het is precies zoals William zegt: we hebben alleen nog maar een redelijke hypothese! De redenering is: ‘als p dan q’ en ‘q’, dus ‘het zou kunnen zijn dat p’. Het is een vorm van plausibel redeneren die bekend staat als abductie. Aristoteles analyseerde abductie al als vorm van redeneren naast deductie, inductie en analogie. Later is abductief redeneren bekend geworden door C.S. Pierce die het beschreef als hypothesevormend redeneren. Hij noemde het Inference to the Best Explanation.

Abductie komt er dus op neer dat je tastend probeert te begrijpen hoe het zit met causale verbanden. De redelijke hypothesen zijn uitgangspunt voor verder onderzoek. En soms neemt men genoegen met het onzekere abductieve verband. Dat komt ook vaak voor in juridische argumentatie. Causale verbanden spelen een belangrijke rol in het recht en vaak zijn die verbanden onzeker of moeilijk aan te tonen. Denk aan causaliteit in het schadevergoedingsrecht. Aardgas winnen veroorzaakt aardbevingen, aardbevingen veroorzaken schade aan huizen. Is de schade van de huizen in Groningen het gevolg van de gasboringen? Dat causale verband is natuurlijk niet met 100% zekerheid te bewijzen. En dit fijne argument wordt dan ook naar voren gebracht in reactie op de terechte vorderingen van burgers. Maar gelukkig heeft het recht een eigen manier om met die onzekerheid om te gaan. Bij gebrek aan sluitend bewijs (ook van het tegendeel) kan de rechter besluiten de schade ‘mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade toe te rekenen aan de daad’. Zie de redenering van Rechtbank Noord-Nederland in ECLI:NL:RBNNE:2016:4402.

Het recht schept aldus een eigen orde, een eigen logica om met onzekere causale verbanden om te gaan. William van Baskerville zei het al 1327. Er is geen orde en geen logica in de wereld. Die creëren we om er greep op te krijgen. Soms is die orde gebrekkig, maar wel productief. ‘De orde die onze geest bedenkt, is als een ladder, die men construeert om ergens te komen. Maar daarna moet men de ladder wegwerpen, omdat men ontdekt dat ze, hoewel ze goede diensten had bewezen, van zin verstoken was.’ Dat heeft een Oostenrijkse mysticus ooit gezegd, verklaart William. Een Oostenrijkse mysticus? Hier speelt Eco zijn spelletje met de lezer. De metafoor van de ladder is bekend geworden door de Oostenrijker Ludwig Wittgenstein – volgens ingewijden de grootste analytische filosoof van de 20e eeuw!

Vragen en reacties: juridischeargumentatiekliniek@gmail.com.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi oktobernummer 2017.