Eind vorig jaar overleed de vroegere Leidse hoogleraar Auke Bloembergen. Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1979 was hem door zijn voormalige staf een juridisch genootschap aangeboden, het Bloembergenschap. Ruim twintig jaar nadien – Bloembergen was inmiddels teruggetreden als raadsheer in de Hoge Raad – werd het genootschap opgeheven. In de jaren daartussen kwam het tweemaal ’s jaars bijeen om een juridisch onderwerp te bespreken. Dat geschiedde aan de hand van een inleiding door een van de leden. Die leden hadden meestal een band met Bloembergen, maar niet altijd was dat het geval. Verschillende lezingen zijn gepubliceerd en ook het luisterrijke afscheid is in J. Spier & W.A.M. van Schendel (red.), Schadevergoeding: een eeuw later. Opstellen aangeboden aan mr. A.R. Bloembergen, Deventer: Kluwer 2002, 208 p. in druk vastgelegd.

Het Bloembergenschap was niet het enige genootschap dat Leiden kende. Nog voor Bloembergen kreeg Huib Drion zijn Studiekring en nadien was het Wim Kleijn wiens oud-medewerkers tweemaal per jaar in De Kleijne Klub bijeenkwamen. Leiden was niet de enige universiteitsstad met een juridisch genootschap rond een coryfee. Het meest bekend is vermoedelijk de Amsterdamse Offerhauskring (1962-2015). In 2012 vierde dit genootschap nog zijn vijftigjarig bestaan met een jubileumbundel (A.A.H. van Hoek et al. (red.), Offerhauskring vijftig jaar; jubileumbundel ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Studiekring ‘Prof. Mr. J. Offerhaus’ (1962-2012), Den Haag: Boom 2012, 201 p), maar daarna was het snel afgelopen. Het enige thans nog bestaande gezelschap rond een persoon is bij mijn weten de Studiekring Normatieve Uitleg van en rond de Rotterdamse emeritus Jan van Dunné. Op 4 november 2016 hield de studiekring te Rotterdam een bijeenkomst over de relativiteitsleer nieuwe stijl. Dat gebeurde in de vorm van een symposium, verzorgd door de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam, in het kader van de jaarlijkse alumnidag (aldaar ook bekend als ‘De Doelderdag’). De titel van het symposium was: ‘De relativiteitsleer op nieuwe koers: met Duwbak Linda op de schroothoop en de correctie-Langemeijer als baken’.

Waaraan dank(t)en deze gezelschappen hun bloei? En waarom ging het op een gegeven moment bij de meeste toch mis? De eerste vraag is het eenvoudigst te beantwoorden. Ik houd het erop dat grote juridische geesten à la Socrates graag een groep van volgelingen om zich heen zien, ook na hun emeritaat (niets is voor een hoogleraar vreselijker dan dat zijn leerstoel bij zijn of haar emeritaat wordt opgeheven). Vanuit een ander perspectief gezien: juristen – en mogelijk ook beoefenaren van andere professies – behouden graag nog enige tijd na het doorknippen van de navelstreng de band met hun academische leermeester. Een genootschap scoort daarbij goed. Het suggereert dat men tot de uitverkorenen behoort. Toch is juist een lossere band wellicht de sleutel voor het behoud van de illustere genootschappen. Na de master of de promotie is er zoveel moois, dat veel vrijer toegankelijk is dan een studiekring (men zie in dit blad de reeks aangekondigde lezingen die vaak ook nog NOvA-punten opleveren en daarmee het nuttige met het aangename verenigen). En minder veeleisend: men hoeft niet tweemaal ’s jaars de reis naar de oude universiteitsstad te maken. Evenmin dient men op gezette tijden een lezing voor te bereiden.

Wat we wel zullen missen zijn de publicaties van een Offerhauskring, waaronder juwelen als De blinddoek van Von Savigny van Jos Deelen (1966). Tijd voor een nieuw genootschap wellicht: aangepast aan de moderne tijd, met Facebook als medium, een onbeperkt aantal leden, open access en virtuele bijeenkomsten, in het Engels?

 

Deze column is verschenen in het Ars Aequi juninummer 2017.