Enige jaren geleden liet het ministerie van Verkeer en Waterstaat een spitsstrook aanleggen op de A1. Een actiegroep maakte hier bezwaar tegen, tot bij de Raad van State. Die deed uitspraak: de strook mocht open. Daarna bleef de spitsstrook toch dicht. Vier jaar later reed een lid van de Raad van State over de A1. Die constateerde tot zijn verbazing dat de spitsstrook dicht was, ondanks het oordeel dat de spitsstrook open mocht. Hij belde met het ministerie, dat antwoordde dat de ambtenaren de uitspraak anders hadden begrepen. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat Camiel Eurlings ontstak hierover in woede. Hij vond dat de Raad van State de uitspraak overdreven moeilijk had geformuleerd. En had de Raad van State het departement niet even kunnen bellen? Herman Tjeenk Willink, de toenmalige voorzitter van de Raad van State, was het daar niet mee eens. ‘We doen tienduizenden uitspraken per jaar’, zei hij, ‘en om daarvoor een call centre op te richten gaat mij te ver’.

De casus is ontleend aan het boek De taal van Jip en Janneke van Simo Goddijn en anderen (Den Haag: Sdu 2011). Het probleem is al langer bekend. Deurwaarders waren er vroeger berucht om, maar ook advocaten, rechters en andere juristen konden er wat van. Hun vaak archaïsch taalgebruik, vol ingewikkelde bijzinnen, bezorgde ons vakgebied een slechte reputatie; men leze er Bordewijks Karakter maar op na. Dit is overigens niet specifiek Nederlands. Ook elders komen we deze misstand tegen. Sterker: met name de common law-landen hebben eronder te lijden. Dat houdt verband met de rechtspraak die wetsteksten en contractsclausules daar vaak heel letterlijk interpreteert. Het is ook in Engelstalige landen dat juristen hiertegen in opstand zijn gekomen. Hun plain language-beweging heb ik in 2007 geanalyseerd in mijn Sense and nonsense in the law/Towards clarity and plain language (Deventer: Kluwer 2007). Recentelijk is het de bekende federale rechter Richard Posner die zich tegen legal jargon heeft gekeerd, getuige een law blog in de Wall Street Journal van 19 mei jl. Onder de kop ‘Judge Posner is “Very Bothered” by Legal Jargon’ lezen we:

‘One of America’s foremost jurists has declared war on legal jargon. Judge Richard Posner, who sits on of the Seventh U.S. Circuit Court of Appeals in Chicago, has never concealed his distaste for distended, overly complex, Latin-littered legal writing. But in a recent court opinion and media interview, he’s launched his most aggressive assault on legalese. In a case decided this week involving a Wisconsin man accused of running an illegal online pharmacy, Judge Posner had no problem with the majority ruling upholding the conviction. It was the “verbal formulas” used by his colleagues that really got his goat. “Judicial opinions are littered with stale, opaque, confusing jargon,” he wrote in a concurring opinion. “There is no need for jargon, stale or fresh. Everything judges do can be explained in straightforward language – and should be.”Judge Posner wasn’t finished. The next day he spoke to National Law Journal’s Zoe Tillman about his grievance. “I’ve actually become more concerned about legal jargon, and I mean very bothered by it,” he said. Judge Posner said he holds “backward-looking” law schools responsible for the scourge of jargon. And he offered examples of terms he thinks ought to be expunged from lawyer lexicon […].’

In ons land is voor vereenvoudiging van het taalgebruik de term jip-en-janneketaal in zwang gekomen, naar de gelijknamige succesreeks van Annie M.G. Schmidt. Niet dat iedere jurist nu wordt opgeroepen om teksten à la Annie M.G. Schmidt te leveren. Integendeel. Het gaat er om dat de auteur van een tekst zich altijd twee dingen moet afvragen: 1. Zit de lezer op dit moment op deze informatie te wachten? 2. Begrijpt de lezer de informatie als ik het op deze manier opschrijf? De adviezen komen van het Nederlands Tekstbureau, dat zich ook heeft ingezet voor het schrijven van een leesbare versie van de Grondwet. Dit bureau onderscheidt conform het Europees referentie kader (Common European Framework of Reference) zes niveaus van taalbeheersing, van basisgebruiker tot vaardige gebruiker. Waar het op aankomt is voor leken bestemde teksten op taalniveau B1 vast te stellen. Daartoe worden in het boek van Simo Goddijn suggesties gedaan.

Deze column is verschenen in het Ars Aequi novembernummer 2016.