web_Van-den-Brink_Scholten_JansenBoekbespreking. De Nederlandse wetenschap levert topprestaties. De auteurs van Goed werk voor academici trekken dit niet in twijfel, maar vragen zich af hoe die prestaties tot stand komen. Volgens hen beheerst toenemende competitie de academische wereld. Om te achterhalen of beroepszeer, de miskenning van beroeps­trots, een gevolg van deze stijgende druk is, schetsen de auteurs allereerst wat zij onder ‘goed werk’ verstaan. Niet alleen moet het wetenschappelijk werk vakinhoudelijk aan de maat zijn, ook moet het op persoonlijk vlak aan een aantal criteria voldoen. Zo moet een academicus zijn talent voldoende kunnen inzetten. Daarnaast moet academische arbeid aan maatschappelijke en morele standaarden beantwoorden.

In het eerste deel van het boek analyseren de schrijvers negen groepsgesprekken met wetenschappers uit onder andere de wiskunde, de geschiedenis en de rechtsgeleerdheid. De auteurs beschrijven hoe wetenschappers uit bepaalde subdisciplines, waaronder het strafrecht, van gedachten wisselden over de toestand van hun beroepspraktijk en vergelijken deze bevindingen.

De academici uiten zich kritisch over het feit dat de kwaliteit van wetenschappelijk werk tegenwoordig in belangrijke mate wordt afgemeten aan het aantal publicaties in vooraanstaande tijdschriften en dat van visitaties en ranglijsten een toenemende mate van controle uitgaat. De selectie van personeel richt zich op de alleskunner die naast publicaties, buitenlandervaring en het vermogen geld binnen te halen, onwillig is om iets voor collega’s te doen. Collegialiteit komt immers niet op het cv te staan.

Voor de lezer van Ars Aequi zijn vooral de beschouwingen over de academische rechts­geleerdheid interessant. Mij viel op dat juristen in vergelijking met andere disciplines over­wegend positief zijn over de stand van zaken. Zo wordt betoogd dat men tal van mogelijkheden heeft als men eenmaal een goed proefschrift heeft geschreven. Er heeft zich een systeem ontwikkeld – zo de geïnterviewde juristen – waarbij sommigen na hun promotie snel hoogleraar worden, om rond hun 45e een tijdje iets anders te gaan doen. Dit maakt de weg vrij voor nieuwe talenten.

Het tweede deel van het boek bestaat uit negen bijdragen en interviews van verschillende auteurs over meer concrete onder­werpen, zoals het publicatieklimaat in Nederland of de mogelijkheden van wetenschappelijk onderzoek buiten de universiteit.

De rechtswetenschap maakt weliswaar maar een klein deel van het boek uit, maar ook de bevindingen van andere disciplines bieden spannende indrukken. Even een kijkje in de keuken van de buren nemen kan geen kwaad. Vooral een aan­rader voor promovendi en onder­zoekers, die willen lezen over collegiaal gedrag en de wetenschappelijke waarde van hun eigen werkwijze. (LM)

G. van den Brink, W. Scholten & T. Jansen (red.)
Goed werk voor academici
Culemborg: Stichting Beroepseer 2016, 222 p., € 24,95